Bezetting

Mei is de maand waarin de bezetting van Nederland door de Duitsers is begonnen (1940) én  beëindigd (1945). Bezet worden, wat houdt dat in? Zoiets als onteigend worden, van je plaats worden verdreven?  Het betekent :  iets of iemand dringt je leven binnen, verjaagt je, bezet jouw plek en wil niet meer weg.  Een bezetting  kan met weinig of veel geweld gepaard gaan, maar onderdrukking, bedreiging en angst – of erger –  zullen vrijwel zeker het gevolg zijn. Het betekent  totale ontwrichting. In de veertiger jaren van de vorige eeuw heeft zich vijf jaar lang een horrorverhaal in ons land afgespeeld dat met geen pen te beschrijven is en ons voorstellingsvermogen te boven gaat. Een tijd die we nog altijd gedenken. Want ‘dat mag nooit meer gebeuren’, zeggen we. Maar sommigen zijn van mening dat het allemaal wel meeviel. Dat ook wij het in deze tijd zo vreselijk moeilijk hebben en zijn te beklagen.

Laarzen. Gebonk op deuren. Vaak midden in de nacht. Een oorverdovend gekraak.  Binnenstormende, snauwende kerels met ruwe gebaren. Weg jij! Meekomen!  Jij zegt foute dingen, schrijft foute blaadjes, bent van het verkeerde volk, van die en die verwenste groep! Als je aan de verkeerde kant zat, niet in goede aarde viel bij de bezetter, was je einde gauw bezegeld. Tenzij je je verborg. Ongekend was de nood om voorzichtig te zijn, wantrouwen te voeden tegen wil en dank, want overal loerde verraad.  De buurman, je nicht, je eigen vader, de bakker : uiteindelijk was niemand zomaar te vertrouwen, ieder vertrouwen was een gok. Dag en nacht, vijf jaar lang op je qui-vive zijn. Het verdeel-en-heersprincipe van de macht werd door de Duitsers perfect gehanteerd: door  mensen tegen elkaar op te zetten behoudt een tiran zijn macht.

Vrijheid, waar hebben we het over? De omstandigheden anno 2021 , inclusief de huidige   ‘onvrijheid’,  zijn in de verste verte niet te vergelijken met die uit de jaren veertig.  Wie dat doet, informeert zich niet!  Bombardementen. Vliegtuigen die brandend neerstortten op onverwachte plekken en tijden. De honger die rondging als een sluipmoordenaar, verdwijningen, deportatie –   Verborgen, benauwde  ruimtes waar menigeen  gedurende dagen, zelfs jaren in het donker moest bivakkeren. Niezen, hoesten of hardop lachen: het kon je einde betekenen. Gordijntjes die haast onmerkbaar, in de fractie van een seconde bewogen. Schijnheilige vragen, nieuwsgierige blikken op straat. De geheime deal, er moest toch ook wat worden verdiend… Gevolgd door weer die laarzen. Gebonk op de deur. Het hele verhaal opnieuw.

 (Het enige punt waarin je misschien een vergelijking kunt trekken tussen toen en nu  is de verdeeldheid van het volk.  Ook voor het coronavirus geldt dat het ons des te gemakkelijker kan blijven beheersen naarmate er verschillende kampen in de samenleving bestaan en het ons ontbreekt aan een geallieerd offensief om de vijand te verdrijven.)

De bezettingstijd heeft te zien gegeven wat in extremo de gevolgen zijn van een bepaald soort denken, van bepaalde eigenschappen waar we als mens mee zijn behept.  Maar die we wel kunnen leren besturen!  Als iemand vraagt: wat had jij gedaan in de oorlog, dan weten we meestal het antwoord niet.  Dat kúnnen we ook helemaal niet weten. Logisch.  Het enige wat we kunnen weten en beseffen  is dat lafheid en moed de twee pijlers zijn waartussen ons handelen zich in het algemeen beweegt. En dat bestrijding, respectievelijk  beoefening van deze eigenschappen – onafgebroken, door iedereen – een collectieve training is waarvan we iets zouden mogen verwachten.  Voor welke betere toekomst dan ook.

Spreekruimte

Er was eens een tijd dat we vonden dat je alles moest kunnen zeggen. Ik ben oké, jij bent oké! Maak van je hart geen moordkuil! Gedachten mochten worden uitgesproken, waaierden prettig en soms stormachtig vrijuit.  Mensen konden wel tegen een stootje. Er was humor, gewaagde humor, scherpzinnigheid alom. Maar tegelijk was er een enorme souplesse.  In de openbare ruimte heerste een algemeen, ongeschreven  begrip voor de kronkels van de geest. Van ieders geest. Toelaatbaarheid. Openheid voor wat spontaan naar boven kwam en zich uitte. Hoe gek je het maar bedenken kan: zeg het. Het kon. Het mocht. Vertrouwen in verandering, ontwikkeling en bevrijding van wat te lang verstikt was  geweest onder de deken van een strenge moraal vormde het draagvlak voor een buitengewoon levendige uitwisseling.

Tussen deze tijd – nog niet eens zo heel lang geleden, we hebben het over de zestiger en zeventiger jaren van de vorige eeuw – en de sfeer die tegenwoordig heerst ligt een wereld van  verschil.  De communicatie van toen is  ondenkbaar geworden. De ruimte van vrijuit spreken ging stukje bij beetje dicht en dit proces is nog altijd gaande.  Humor en verdraagzaamheid (onafscheidelijk, deze twee?) hebben plaats gemaakt voor intolerantie en een grimmigheid die  bizarre vormen heeft aangenomen. We vechten elkaar de tent uit in een bewustzijnsvernauwing die haar weerga niet kent. Ik ben oké, maar jij bent helemaal niet oké! 

Waar bleef onze bereidheid de ander de ruimte te geven? Het heeft weinig zin om steeds weer naar de sociale media te wijzen. Deze vormen alleen maar een uitvergroting van wat ook in het fysieke leven bestaat. De feiten liggen er – droevig maar waar: we hebben ons vastgedraaid in ‘nieuwe’, schadelijke gewoontes. Intussen gaat het menigeen in psychisch opzicht slecht. En hiervan (alweer) moeten we zeker niet alleen corona de schuld geven! Het gaat om kennis, bewustzijn en cultuur.  Om een collectieve intentie. Waar zijn we mee bezig? Is dit nog leuk? Angst, bedreiging, onderdrukking. Wat voor lol geeft het om angstaanjagend te zijn in woord of daad, hoe bouw je op die manier aan iets, whatever?

Om de ziekte te verdrijven en aansluiting te vinden bij de betere tijden die er zijn geweest zouden we misschien heel praktisch kunnen beginnen.  We zouden vrijplaatsen kunnen inrichten (hokjes bouwen?), waar je al of niet in het bijzijn van een zwijgende wijze even alles mag zeggen wat in je opkomt, wat je denkt. Om de geest te luchten. Van je hart geen moordkuil te hoeven maken. Want eerlijk is eerlijk:  betekent het ware uit de kast komen voor ieder mens niet dat hij of zij eens helemaal zichzelf mag laten zien?

Weerbaarheid

En dan zomaar ineens kan het gebeuren: jezelf genadeloos tegenkomen terwijl je het juist prima redde, je zaakjes goed voor elkaar had.  Bij alle regie en zorgvuldigheid, bij alle discipline en verstandig leven heb je het niet aan zien komen. Opeens is het er,  overvalt het je. Als een blok. Niet meer slapen. Zin hebben om te huilen.  Zwaarte voelen. Paniek zelfs misschien.  Hoe dan ook vastzitten in een hier en nu waar geen beweging voelbaar is.  Dit is dus wat een jaar corona met je  kan doen.  
Overleven vraagt meer van ons dan we in de gaten hebben. Er wordt ergens, in de onzichtbaarheid geknaagd aan onze energie.  Wat nu? Wat kan je doen om zo’n situatie goed door te komen?

Om weerbaar te zijn en te blijven in deze ongehoorde tijd kan je het beste langs twee sporen werken.  In  je eigen spoor natuurlijk,  maar tegelijkertijd  ook in het spoor van de gemeenschap, van het ‘samen’.   Voor jezelf  is het belangrijk om drie dingen in de gaten te houden.  Ben je voldoende gerustgesteld? Is het tijd om je accu opnieuw op te laden  (net zoals je dat regelmatig  met je telefoon moet doen)?  Breng je jezelf  op de een of andere manier voldoende tot expressie? Tussen deze kwesties bestaat een zeker verband, maar het is nuttig ze toch apart te bekijken.

Geruststelling –  een basis die jou overeind helpt houden  – vind je in  een levensbeschouwing of bepaalde graad van vrede met jezelf. Ook mensen bij wie je je thuis voelt en veilig bent dragen bij aan het gerust zijn.   Je hoeft ze daarvoor nog niet eens vaak te zien.   
Een accu moet opgeladen zijn, wil de wagen kunnen rijden! Je kunt zelf het beste voelen of weten hoe je dat op specifieke momenten kunt doen.  Algemene waarheden of adviezen werken niet altijd even goed, zelf voelen wat kan en nodig is wel. De accu is het meest gebaat bij iets tastbaars, fysieks.  Dingen eens anders doen dan anders kan ook wonderen doen: corona vraagt om inventiviteit en ontdekkingszin. Gewoon uitproberen.
Tot slot de expressie. Het gaat hierbij niet in de eerste plaats om kunstenaarschap, om werk of interessante hobby’s,  maar om de algemene vraag of je iets van jezelf naar buiten kunt brengen, buiten jezelf neer kunt leggen als het ware. Iets waar je blij of lichter van wordt. Dat kan van alles zijn, bijvoorbeeld iets lekkers koken of iemand aanspreken.  Je kunt het ook helemaal bij jezelf houden en je frustraties eens flink uitschreeuwen als je alleen  in de auto zit of in de storm loopt…

Maar dan! Het algemene verhaal! Dat spoor is minder eenvoudig en heeft te maken met de algemene sfeer waarin we moeten leven en die  door de collectiviteit, door alle mensen tesamen  dus,  wordt gemaakt.  Dit  geestelijke klimaat is – in tegenstelling tot het fysieke klimaat – nog altijd een ondergeschoven kindje in het openbare debat.   Wat op zich vreemd is, omdat geestelijke luchtvervuiling minstens zo erg en ongezond is als  fysieke en evenzeer een aanslag betekent op de weerbaarheid van jou en mij, kortom van iedereen en allen.  Hoe jammerlijk en onthutsend daarom is de ontwikkeling rond corona die mensen uiteen drijft, tegen elkaar opgezet, verkettert en isoleert! Vriendschappen sneuvelen, relaties raken vergiftigd.  Dat de toenemende grimmigheid en intolerantie  binnen bepaalde groepen in de samenleving  het virus alleen maar  in de kaart speelt (namelijk verhindert dat we onze gezamenlijke weerbaarheid opbouwen) betekent dat we langer in de problemen blijven zitten. Anders gezegd: de agressie van de ontkenning is voor het virus een welkom instrument.

Alleen wanneer  we erin slagen de rijen te sluiten en onze  diepe onderlinge verbondenheid te gaan erkennen – eindelijk! – pas dan zullen we krachtiger worden en serieus kunnen gaan werken aan onze algemene en individuele weerbaarheid.  Zonder ieders werk langs dit spoor zal het aanmodderen blijven.  Slechts met de inzet van allen  kan een vreugdevolle route ontstaan.

Deken

Twee dagen sneeuw heeft een dikke laag witte kou over de tuin gelegd. Complete stuifduinen sieren plekken waar je ze niet zou verwachten.  ’s Nachts bewegen er  takken  en andere schimmen overheen dankzij het licht van een  lantaarnpaal achter de schutting.  Poollucht, soms wind, meestal   ijzige stilte. Je houdt je hart vast voor wat er allemaal gebeurt.  Daaronder.  Op en in de aarde waar viooltjes en winterrozen stonden te bloeien  en  de opgeschoten narcissen al klaar stonden om zoals ieder jaar als eersten van kleur te verschieten. Wat gaan we straks zien als de warmte komt? Wat lijdt onherstelbare schade en wat zal blaken van overlevingskracht?

Een jaar corona heeft een zware deken over ons leven gelegd. Weinig zon, veel schrik, tekort aan licht.  Soms storm waarin links en rechts stemmen luid beginnen te schreeuwen en armen woest proberen weg te maaien wat een onomstootbaar  gegeven is. Vleugellamheid. Weglopende energie. Matheid. Je houdt je hart vast. Wat krijgen we te zien als straks (want ja) de druk ééns wegvalt en de aarde weer open valt? Wat zal er tevoorschijn komen?

Laten we voorbereid zijn op grote verrassingen. Leuk of minder leuk.  Dat is persoonlijk.  Maar hoe dan ook op  ‘anders’. Gebouwen en ruimtes zullen anders kleuren, verbouwd blijken, anders bruikbaar. Moeilijk vindbaar of anders ingedeeld. Gewoontes zullen zijn verdwenen als sneeuw voor de zon.  Nieuwe ingevoerd  , haast vanzelf zoals planten groeien. Misschien zal het ongelooflijk worden! Wat er allemaal onder het lastige pak waaronder we zuchten blijkt uitgebroed, bedacht, gezuiverd.  Wat er intussen gebeurde en nog steeds gebeurt.  Op mysterieuze wijze of op de tast  door onszelf tot stand  gebracht.
We gaan het zien wanneer  de lente komt:  een nieuwe wereld die bezig is zichzelf  uit te vinden.

Meningencultuur

Het mogen hebben en uiten van een mening is historisch gezien  geen vanzelfsprekendheid. Als recht is het betrekkelijk nieuw. Terwijl zo’n tweehonderd jaar geleden het hebben en uiten van een mening nog iets was voor bevoorrechten, voor deelnemers aan debatingclubs, is het tegenwoordig voor ieder mens een must. Kan je publiekelijk  nog redelijkerwijs zeggen dat je iets niet (zeker) weet, ‘hier heb ik geen mening over’ wekt al gauw verbazing. Nog sterker geldt dit voor de opmerking  ‘hier heb ik geen mening over, omdat ik er te weinig van afweet’!
Grote aanjager van de zogenaamde meningencultuur is de wetenschap geweest. Uitvindingen van moderne massamedia als televisie en meer recent van de sociale media hebben gemaakt dat wij behoefte zijn gaan voelen om over alles wat wij tegenkomen – fysiek of virtueel –  mee te praten. Overal iets van te vinden en wel meteen. Het reageren met een mening op alles wat wij zien of horen is het onschuldige stadium allang voorbij: het is een automatische reflex, een algemene dwangmatigheid geworden die zich tot ver buiten de media uitstrekt. Meningen vormen een steeds groter bestanddeel van het sociale discours. Van onze identiteit. Ze zijn onze tweede natuur geworden.

Wat zou er eigenlijk mis kunnen zijn met een dergelijke ontwikkeling? Immers  ‘…is het niet een van de grote verworvenheden van de democratie dat wij als individuen een mening mogen hebben, iets van dingen mogen vinden? Een rijkdom die wij moeten koesteren? (…) Het is een onbetwist voorrecht dat wij er in vrijheid een levensbeschouwing op na mogen houden die bij ons past. Dat wij iets mogen willen, ergens voor mogen vechten, belangen mogen verdedigen, een partij aan mogen hangen etc. Maar er ligt een belangrijk verschil tussen meningen in deze zin en de dolgedraaide mallemolen van reacties en oordelen die we er met z’n allen op na zijn gaan houden en die met name in de sociale media een uitlaatklep vindt. Wat doet een dergelijke cultuur, die steeds vaker neerkomt op het uitwisselen van in mening verpakte emoties met ons en wat hebben wij eraan op den duur? Worden wij er met z’n allen beter, vrijer van? (Citaat uit ‘Het nieuwe moeten; vragen om cultuur’.)

Het woord emoties is gevallen. Hoe werkt de totstandkoming van een mening eigenlijk idealiter?  Bij het binnenkomen van een externe prikkel, bericht of wat dan ook is het normaal dat we in eerste instantie  iets voelen. We kunnen nu beslissen of we ons verder gaan informeren en/of over de kwestie gaan nadenken. Op deze manier kunnen we ons een mening vormen, een mening die als het goed is altijd herzien kan worden op grond van nieuwe ervaringen of nieuwe informatie. 
Het probleem met meningen in zijn algemeenheid en zeker met die welke tegenwoordig het corona-debat kleuren, is dat het dikwijls niet gaat om zorgvuldig gerijpte standpunten maar om emotioneel getinte gedachten, onmiddellijk vertaald in oordelen die massaal worden gedeeld. Het verraderlijke van oordelen is dan weer dat ze zomaar om kunnen slaan in vooroordelen. En dat is wat op grote schaal gebeurt. Vooroordelen zijn oordelen die niet op eigen ervaring of kennis zijn gebaseerd maar berusten op ‘neiging, traditie of navolging’, aldus het woordenboek. Ongegronde meningen dus.

We zijn gewend geraakt aan het voortdurend becommentariëren van onbekende situaties  waar wij weinig van weten en waarmee we wellicht nooit te maken zullen krijgen.  Internet en de sociale  media stimuleren het denken en grossieren in geleende modellen : het klakkeloos overnemen van en schermen met meningen van anderen alsof het onze eigen meningen zijn. Het gevaar daarvan is dat we heilig gaan geloven dat dat zo ís. Voor we het weten zijn we verdwenen in iets waar we onszelf niet meer in terug kunnen vinden. En ook de ander niet! Want tragisch is de ontwikkeling die zich momenteel aftekent: ‘ik veroordeel jou om jouw mening – zonder dat ik naar je geluisterd heb en zonder te bedenken dat jij meer dan een mening bent;  voor mij b e n jij je mening!’  Dit is meer dan tragisch. Het is ongelooflijk dom.  Het openbare debat begint dan ook vervaarlijk te verzuren.

Daarbij komt een aspect dat we vooral niet moeten vergeten. De uitdrukking zegt het al: onze mening telt. Wij zijn in geld uit te drukken. Onze mening is goud waard. In, door en achter het complexe mediacircus staat de commercie klaar. Hoe heftiger, hoe frequenter onze drukte rond meningen, des te meer garen zij spint.

Al eens geprobeerd om ergens geen mening over te hebben?
Een mening hebben kan en mag – het hoeft en moet al helemaal niet!  

Perspectief

Niet lang na het uitbreken van corona en de invoer van beperkende maatregelen dook de  publieke vraag op naar perspectief. Waar konden we naar uitkijken? Ons op verheugen? Wat was de stip aan de horizon waar we ons op konden richten? Het ene na het andere feestje dat in beeld kwam,  bleek een fata morgana en verdampte zodra de tijd aangebroken was. Wat een frustratie! Hoe hielden we dit vol? De lente ging voorbij maar we kregen een nieuw perspectief voor ogen: de zomervakantie! Dat was iets wat ze ons niet konden ontnemen. Eindelijk zou er een kans komen om te ontspannen en misschien wel los te gaan.

We lijden aan ontbrekende vergezichten. Voor wie financiële nood en zorgen heeft zoals zelfstandigen, kunstenaars  en werkers in de horeca , is dit alleszins  begrijpelijk. Het zaken doen zonder kennis van termijnen stagneert. Opmerkelijk is echter dat we ons in onze behoeften aan perspectief volledig afhankelijk maken van de overheid. Van haar beloftes en haar bereidheid om de regels te versoepelen. We stellen ons op als bedelaars, in afwachting van een kruimeltje of beter nog, een dik stuk taart.

Kan je ook anders kijken naar perspectief? Wat is het voor jou, voor ons in zijn algemeenheid? Waarom kunnen we zo moeilijk zonder een fictief (dikwijls volgefantaseerd) punt in de tijd,  verder  voor ons uit? Wat verwachten we ervan, waar moet het ons van verlossen?  Het is nog niet zo heel lang geleden dat de oosterse wijsheid  van het ‘hier en nu’ en ‘in het heden proberen te leven’ een normaal onderdeel vormde van ons openbare gedachtegoed. Waar is de aandacht voor die houding gebleven? Anders gezegd, is er misschien iets in geestelijk opzicht wat we vergeten in onze roep om die stip aan de horizon? 

Het is waar, er wordt ons vanuit de media en de overheid weinig aangereikt op dit gebied.  Zo spoedig mogelijk  terug naar normaal en intussen maar het beste ervan maken,  is het devies.  Ook in religieuze kringen, waar hoop en vertrouwen op een goede uitkomst worden aangemoedigd, is de blik  sterk op de toekomst gericht.  Maar wat gebeurt er nou , waar zijn we nu precies mee bezig behalve met ergernis en verveling  in de tussentijd? Bestaat er in onze materialistische wereld die draait om uiterlijk leven (momenteel om de vraag wanneer kunnen we weer dit of dat)  misschien  ook nog zoiets als een  geestelijk terrein waarop en waarmee je kunt   werken – ongeacht de omstandigheden waarin je je bevindt? Om het praktisch te maken: hoe gebruiken we deze tijd  waar we ongetwijfeld meer mee kunnen (moeten?)  dan lijdzaam afwachten tot zij voorbij is gegaan?

Het is heel goed mogelijk dat er superspannende kansen liggen die we in staat zijn te gaan missen als we geestelijk niet wakker zijn. Hieronder enkele voorbeelden van kwesties  waartoe deze tijd ons uitdaagt. Het idee daarbij  is dat we uit bepaalde feiten betekenissen  kunnen halen (boodschappen zo je wilt) die heel dicht bij de feiten liggen maar waarmee we flink uit de voeten zouden kunnen.

1. Feit: Afstand houden kan ons redden. Betekenis: Je moet een ander de ruimte geven.
2. Feit: Zingen brengt  risico’s met zich mee. Betekenis: Laten we een toontje lager zingen.
3. Feit: We zijn allemaal kwetsbaar.  Betekenis: Laten we zorgvuldig met elkaar omgaan.
4. Feit: We kunnen niet meer plannen. Betekenis: Miljoenen anderen op aarde ook niet;  laten we hen beter begrijpen.
5. Feit: Onze macht is betrekkelijk, kennelijk staan we  in verhouding tot iets/tot andere wetten. Betekenis: Laten we openstaan voor andere opties.

Meer dan ooit kan de geest aan de bak: het domein van alle belevingen, van communicatie, van voelen, denken en bewegen. Van het vinden van oplossingen en de wil tot (collectief) overleven. Het speuren naar de ongekende mogelijkheden van de geest en daarin creatief en waarachtig zijn,  zal ons zeker níet terugbrengen naar normaal . En dat is maar goed ook. 

Complot

Te midden van de meest bonte complottheorieën die de laatste tijd het internet overspoelen vormt de theorie die Donald Trump recentelijk de wereld in bracht een potsierlijk hoogtepunt (of dieptepunt zo je wilt). We hebben het hier over het verhaal dat zich voor, tijdens en direct na de verkiezingen  in de Verenigde Staten in het Witte Huis heeft ontwikkeld.

Het totale wantrouwen vooraf, de aantijgingen van fraude en de  verdachtmakingen van de tellers van de stemmen betekenen niet alleen dat het hele politieke systeem (lees democratie) in diskrediet werd gebracht  , het heeft ook een bijzonder helder inzicht  gegeven  in het wezen  van  de complottheorie.  Hoe zij tot stand komt.  Werkt. En de massa meeneemt, des te gemakkelijker naarmate de technologie dat mogelijk maakt.  Het verhaal van Trump is daarom ‘hoogtepunt’ omdat het duidelijk laat zien waar het in complottheorieën   steeds weer om draait: het geloof in de  boze wil van de ander. 

Complotdenken is uitgaan van een vijand die jou doelbewust ondermijnt, aanvalt of vernietigt.  Die vijand is in eerste instantie vaag: een energie  in de eigen onbewuste  psyche , gekoppeld aan angst en onzekerheid. Naarmate deze energie meer lading  krijgt en sterker wordt, zal zij doordringen in het bewustzijn en van daaruit bijna automatisch een vorm aannemen   in de buitenwereld: het unheimische, zeg maar negatieve gevoel, hecht zich dan aan iemand anders of aan een groep of volk.  Ziedaar de geboorte van de zondebok: díe heeft of hebben het gedaan. Psychologen noemen dit projectie.  Een mechanisme dat je – individueel én collectief – kunt onderkennen en bestrijden met kennis , zelfkennis en moed tot eerlijkheid.  

De bron van complotdenken is dus zwakte – een gevoel van gevaar, onmacht of  kwetsbaarheid. In de Middeleeuwen richtte de collectieve angst en onzekerheid  zich op vrouwen die als heksen op de brandstapel werden omgebracht.  Op grond van een wijdverbreide  complottheorie  kregen zij de  – onbewezen – schuld van heersende ellende. Voor Trump zijn het niet alleen de Democraten maar is het het hele democratische bestel dat samenspant om zijn macht  te  vernietigen en er naar zijn idee in faalt  om hem te beschermen  tegen de boze wil  van anderen . Hoe meer hij om zich heen slaat , hoe groter zijn angst moet zijn dat niet alleen zijn macht, maar straks ook zijn hele zelfbeeld aan flarden zal gaan…

Hoe ver kan het gaan met complotverhalen en wat doen ze met een mens? Ontstaan uit een gevoel van bedreiging,  komen ze tegemoet aan een behoefte aan ‘verklaring’, aan houvast.  Maar pas op, op hun beurt zorgen ze voor een nieuwe ervaring van machteloosheid! Jouw verantwoordelijkheid, zelfstandig denken en kans om  iets te betekenen  in de wereld worden uitgeschakeld   zodra je een complottheorie aan gaat hangen.  Wanneer immers een boze wil, machtig maar onzichtbaar en oncontroleerbaar ergens vandaan,   het op jou of allen gemunt heeft (geloof je),   geef je je eigen power en  inbreng weg. Misschien zelfs wel je levenslust?

Geloven is mooi, maar een geloof dat  wantrouwen en paranoia voedt  is de dood in de pot.   

Donker

Wat voorspelbaar was, is uitgekomen. We zitten in een tweede golf.  Deze valt samen  met het seizoen van vroeg invallende duisternis en  kortere dagen. Van kou en binnenleven kortom. Hoe zullen we dit gaan ervaren? En wat is er anders dan de eerste keer toen met de schrik om corona tegelijk de lente kwam die troost bood in de vorm van schoonheid en mogelijkheden om elkaar te ontmoeten in parken, tuinen of waar dan ook in de natuur?

Met de ontwikkeling van het virus is wellicht een boodschap gegeven die moeilijk  wordt verstaan.  Niet verwonderlijk  wanneer het zou gaan om een bewustzijnssprong die op dit punt van de geschiedenis noodzakelijk is om het leven op aarde veilig te stellen.  Als het  klopt dat pas vanuit de diepste ellende, het diepste niet-weten in de menselijke geest  wezenlijke doorbraak en vernieuwing plaats kunnen vinden, ziet het er niet gemakkelijk uit. Want is het misschien allemaal nog niet erg genoeg?  Zal corona ons – net als een repeterende  droom – blijven lastigvallen totdat we iets inzien en aanpakken wat op dit moment onontkoombaar  is?

De collectieve bewustwording die in de lucht hangt zou wel eens hierin kunnen bestaan dat we ervan doordrongen raken dat we op aarde allemaal, niemand uitgezonderd, in hetzelfde schuitje zitten. Dat we wezens zijn met zekere capaciteiten maar ook met een ontstellende kwetsbaarheid. Dat details ons onderscheiden maar dat de gelijkenis groter is. Dat we als groep in een te gekke, onbekende zoekopdracht zijn geplaatst. Ieders aanwezigheid onmisbaar is voor de uitdaging die voorligt.
Identificatie met de ander door de verschillen heen omdat je samen iets te doen hebt. Al heb je geen idee van hoe of wat. Dat hoef je ook helemaal niet te weten. Dat moet je aannemen. Het is de essentie van ruimte. Voortgaan zonder weten. Eng. Onzeker. Maar een feit. Het menselijke lot.
(Uit  ‘Een nieuwe tijd’,  slothoofdstuk  in  ‘Het Nieuwe Moeten’.)

Samenwerking in plaats van strijd en onderlinge tegenwerking als weerbaarheidsfactor nummer één voor de menselijke soort? Vooralsnog  biedt de uitwerking van Covid19 op het algemene bewustzijn een chaotisch beeld. Er is een kakofonie aan geluiden ontstaan, veel lelijkheid en benauwdheid qua denken. Het is of ook de geest in ernstige ademnood verkeert… Het einde van de tunnel is nog niet in zicht. Wat kunnen we heel concreet en praktisch doen in ons persoonlijke leven nu het donkerder wordt , ook letterlijk, en er een nieuwe winter voor de deur staat?

We kunnen vooral ruimte zoeken om te ademen.  Dit betekent waarschijnlijk voor velen (en niet alleen voor jongeren!) dat ze het vreselijke gekibbel en gezeur in de kringen van politiek, macht en media voor een groot deel buiten de deur moeten houden. Zoeken daarentegen naar wat opwekt, waar grotere lijnen worden uitzet. Daarin realistisch blijven.  Het leven gaande houden. De motor onderhouden. Daarin zelf ontdekkend  zijn.

Om het donker te doorstaan zijn twee dingen nodig. Voor iedereen, waar dan ook, in welke omstandigheden . Je hoeft daarbij  niet ver van huis te gaan.
  Het eerste is  zorgen voor  b e w e g i n g  in enige vorm van actie, bezigheid, werk of activiteit – hoe dan ook iets waar  je blij van wordt. TIP: als er niets (meer)  is of alles weg lijkt te vallen, doe alles eens anders. De kleinste dingen.  Verzet de meubels, combineer je kleren anders, wijzig de tijden waarop je gewend bent dingen te doen, gebruik andere woorden, wat dan ook.  Zo voorkom je dat je stilstaand water wordt; zo blijft je leven stromen.
   Het tweede is zorgen  voor  w a r m t e  in de vorm van contact en/of  gezelschap. Hier hangt het er sterk van af hoe je situatie is, hoe je omstandigheden.  TIP : als er niemand (meer) is of tijdelijk een leegte is ontstaan, maak contact met een boek of met mooie herinneringen alsof het levende wezens zijn, spreek bewust tegen afwezige dierbaren en vrienden of schrijf brieven die je nooit verstuurt.  Voel hoe je ook met verbeelding  het  vuur in jezelf onderhouden kan.

Er is werk genoeg. Niemand hoeft zich te vervelen. Een focus op licht en leven is genoeg.

Aanraken

Sinds corona op het wereldtoneel is verschenen raken we elkaar niet meer aan.  Wie een partner, kinderen, huisgenoten of dieren heeft, heeft geluk. Buiten de directe kring heerst afstand. Niemand raakt zomaar meer een kennis  – laat staan een wildvreemde –  aan. Althans, dat is de bedoeling.  Fysieke spontaneïteiten zijn taboe verklaard.  De elleboog- of voetstoot mag dan voor sommigen werken, het lijkt er niet op dat een van deze vormen algemeen zal worden omarmd.

Aanraken gaat over tastzin: een van de vijf  grote zintuigen waarmee momenteel veel aan de hand is.  Na de zintuiglijke revolutie die de technologie teweeg heeft gebracht– een revolutie die nog volop gaande is en gevolgen heeft voor de huishouding van ons hele zenuwgestel  – doet  de huidige tijd met zijn coronamaatregelen er nog een schepje bovenop. Er vinden allerlei ingrijpende verschuivingen plaats in het gebruik en in de betekenis van onze zintuigen. Waarschijnlijk hebben we geen idee, want nauwelijks overzicht.  Zeker is dat het totale systeem van onze zintuigen zich in een reorganisatie bevindt die deels direct door de buitenwereld  wordt afgedwongen, deels ‘vanzelf’, via autonome processen verloopt. 

Deze veranderingen vragen veel  energie omdat er van een vaste nieuwe ordening voorlopig  geen sprake is. De wereld maakt zo’n snelle ontwikkeling door dat voortdurend  nieuwe zintuiglijke aanpassingen nodig zijn. Door  de technologie kwam een zwaar accent te liggen op ons  hoofd en ogen.  Ter compensatie  hiervan worden andere manieren van interactie met het scherm ontwikkeld bijvoorbeeld via  de stem, lichaamsbewegingen of zelfs gedachten.

Onze tastzin is een apart geval.  Tasten en aftasten doen wij in de eerste plaats  met onze handen. In het topje van onze vingers  bevinden zich de uiteinden van belangrijke zenuwbanen die het aftasten tot een uiterst verfijnd gebeuren maken. Wie kent niet de onbedwingbare neiging om in een fysieke winkel uitgestalde producten of kleding aan te raken en beet te pakken? We doen dit om ons te oriënteren.  Om contact te maken en te weten hoe de aard en kwaliteit van datgene is wat voor ons ligt of staat.  Bij online winkelen missen we deze fase.

Het technologisch tijdperk heeft onze tastzin veel speelruimte ontnomen. In plaats van nuances te ontdekken en te mogen genieten, zijn onze vingers veroordeeld tot de harde en  onbuigzame materie van toetsen en scherm. Hoe eentonig is dat? Als dat uren en uren duurt?  Ter vergelijking: papier ruikt, maakt geluid, heeft gewicht en is lichamelijk een veel omvattender ervaring. Als vingers konden praten zouden ze klagen over de immense verveling waaraan wij hen blootstellen… Is er niet iets anders, iets spannenders, beweeglijkers ,  interactievers?
Opmerkelijk en interessant  in dit verband  is de gewoonte van veel mensen tegenwoordig om bij het praten met hun handen te wapperen. Gebaren  om de taal  kracht bij te zetten? Het zou ook een leuk gevonden manier van de zenuwen in de handen en armen kunnen zijn om de te grote verkrampingen en schraalte in de vingers te compenseren met andere levendigheid.

Het wegvallen van de aanraking tussen mensen in de coronatijd betekent nieuwe uitdagingen  voor oog en stem.  Het oog – vaak al te inhalig aan het scherm gekluisterd – wordt uitgenodigd weer eens echt, dat wil zeggen  buiten zichzelf te kijken, terwijl de stem meer ruimte krijgt om  haar muzikale mogelijkheden te exploreren.
Het is wellicht belangrijker dan we denken om bewust te voelen en te kijken wat er gebéurt met onze zintuigen. Maar ook wat we er zelf mee doen en hoe we kunnen zorgen voor een beetje balans en een vreugdevol beheer – op welke manier dan ook.  

Onbeschrijflijk

Met geen pen te beschrijven. Niet te filmen. Deze uitdrukkingen halen we uit de kast als we iets hebben meegemaakt dat zo heftig, emotioneel of bijzonder is dat we geen middelen kennen om dit goed, dat wil zeggen helemáál  aan een ander over te brengen. We behelpen ons met wat er is  -woorden of (bewegende) beelden  – en laten het aan de ander over  zich voor te stellen hoe mooi, erg of ingewikkeld iets is.

Een groot gebied van onze belevingswereld is niet communiceerbaar en zeker niet in woorden.  Hoe maak je iemand anders duidelijk  hoe jouw pijn voelt? Zeggen dát je pijn hebt, is mogelijk. Maar hóe deze pijn precies in jou voelt? Onmogelijk.
Het tekort speelt overal.  Probeer bij thuiskomst van een vakantie aan achterblijvers maar eens over te brengen wat je meemaakte of zag !  Meestal zal zo’n poging uitlopen op een teleurstelling.  Je woorden halen het niet bij wat er werkelijk in je leeft en het kan zelfs gebeuren dat je tijdens het vertellen van je belevingen voelt dat je innerlijke verhaal aan glans verliest. Natuurlijk kunnen foto’s of filmpjes in zo’n situatie helpen maar  uiteindelijk zijn ook deze middelen niet in staat de totaliteit van je ervaring mee te delen.

Onbeschrijflijkheid beperkt zich niet tot onze eigen emoties en belevenissen. Zo vond ik een interessant voorbeeld van beperkte beschrijflijkheid van landschappen in het prachtige boek ‘Het zoutpad’ van Raynor Winn (2019). Noodgedwongen zwervend langs de Engelse zuidkust, samen met haar zieke man, schildert de schrijfster met woorden de talloze, vaak woeste landschappen en zeeën  die ze tegenkomt. Hoe indrukwekkend, mooi en gedetailleerd haar beschrijvingen ook zijn – de woordenstroom ondergaan alleen al is een genot –  tot mijn verbazing stelden ze mij zelden in staat mij een duidelijk beeld van het opgeroepene te vormen.  Het leek er zelfs op dat hoe meer moeite Winn zich getroostte, des te minder ik voor mij zag.  (Precies zoals dit  voor mij ook altijd gebeurt wanneer  iemand een gezicht voor mij beschrijft. Uitputtende details omtrent huidskleur , vorm van lippen, ogen, neus, etc. zeggen mij gewoonlijk weinig tot niets…Uiteraard zou beeld hier – indien nodig – uitkomst bieden.)

Dat een groot gebied van onze belevingswereld niet in taal kan worden weergegeven,  is iets waar  we van jongs af  aan mee leren leven als een vanzelfsprekendheid. Als iets wat we  wellicht regelmatig ervaren maar waar we  geen punt van hoeven te maken.  En toch…  Geen woorden voor ervaringen hebben betekent ook een vorm van eenzaamheid.  Maar wel een eenzaamheid die alle mensen delen! Wat doen we hier eigenlijk mee? Kunnen we deze  waarheid wel verdragen? Toepassen in de omgang met elkaar?

Onbeschrijflijkheid is een woord waar we blij mee mogen zijn. Een term die naar mogelijkheden verwijst. Naar andere opties. Immers,  waar blijft datgene wat in ons leeft maar wat we  niet via  taal kunnen delen? Hebben we er enig zicht op? Zorg voor? Weten we wel voldoende dat we voor sommige emoties en geestelijke indrukken in onszélf een plek moeten en kunnen vinden? En dat we daarvoor van binnen voldoende  ruimte moeten houden die op haar beurt met ons communiceert?

Wanneer we voor onze verbinding met de buitenwereld louter denken te kunnen varen op de taal, doen we niet alleen onze eigen werkelijkheid en die van de ander tekort  – dan loopt onherroepelijk de machine vast.