Delen

Wie kent het niet van de rekenlessen op school: twaalf  gedeeld door vier is drie, twintig gedeeld door vijf is vier. Enzovoort, enzovoort. De boodschap van de  wiskundige delingen die  onnoemelijk veel kinderen nog altijd kunnen opdreunen, is:  iets groters is op te splitsen in kleinere eenheden. In stukjes. En dit volgens een bepaalde logica.   
Hoe is dat voor de praktijk van het delen in het dagelijkse leven?  Bij een buit of een lekkere zak met snoep? Een sinterklaasliedje zegt het al:  ‘eerlijk zullen we alles delen, suikergoed en marsepein’.  Eerlijk delen, dat   wil zeggen iedereen krijgt even veel. Dat althans is het ideaal. De wens van wie niet te kort wil komen of van diegenen die leven vanuit een rechtvaardigheidsgevoel. 
Zo opgevat heeft delen iets overzichtelijks. Iets concreets.  Uitgangspunt is een vastomlijnd ding, getal of een gegeven hoeveelheid.

De betekenis van het woord delen gaat schuiven wanneer  bijvoorbeeld  iemand zich uit over verdriet, schaamte of een andere belevenis waaruit kwetsbaarheid blijkt.  ‘Wat fijn dat je dit met ons hebt willen delen’, zeggen we dan.  Of:  ‘ik deel in jouw gevoel van….’.   Hier gebeurt iets interessants. Het lijkt wel of delen in dergelijke situaties niet draait om kleiner, maar om groter. Om uitbreiding en vermeerdering. Om vermenigvuldiging.  Een vermenigvuldiging die bovendien uitloopt in een zekere onbegrensdheid. Immers ook een hele groep, ja een heel volk  kan blij zijn dat iemand iets heeft willen delen.  Zelfs nog na verloop van tijd.  
In deze opvatting gaat delen niet over het stukmaken van een geheel, maar juist over de omgekeerde richting: het bevorderen van een geheel.  Wanneer individuen die apart lijken te bestaan zich in elkaar herkennen,  wordt gezamenlijkheid en samenhang gecreëerd.    

Kunnen we zeggen dat delen van materie en delen van geestelijke zaken wezenlijk van elkaar verschillen? Een prachtig voorbeeld  van een volkomen samengaan van delen in de zin van opsplitsen  en delen als bijdrage aan heelmaking vinden we in het bekende  bijbelverhaal van de wonderbare spijziging.  Jezus maakt uit weinig broden en een paar visjes meer dan genoeg voedsel voor een grote menigte.  Een verhaal van overvloed vanuit een materiële beperking.  Niet voor niets wordt het een wonderbaarlijk verhaal genoemd – voor gewone mensen  lijkt zoiets immers niet weggelegd. Toch bevat het een diepere boodschap en misschien wel meerdere. Eén daarvan zou bijvoorbeeld zou kunnen zijn:  begin met delen en de mogelijkheden volgen vanzelf.

Naast delen  kennen we aanverwante woorden als verdelen en uitdelen. Wat is het verschil tussen delen en verdelen in de eerder genoemde materiële betekenis?  Is er eigenlijk wel verschil? Als je aan een buit of  aan een zak met snoep denkt? Verdelen lijkt scherper, strenger van toon dan delen. Tegelijkertijd hoeft het niet noodgedwongen om gelijke delen te gaan, om eerlijkheid dus.  Een erfenis verdelen kan best bestaan uit ongelijke delen.  In de wiskunde daarentegen roept de verdeling van een getal in eerste instantie juist wel weer iets van gelijkheid op: in tweeën delen, door de helft doen.  Verdeeldheid is een term die je tegenwoordig veel hoort noemen in verband met de maatschappij en de discussies rond corona.  De meeste mensen ervaren deze verdeeldheid als onprettig en negatief.  Als een tegenover elkaar staan van twee of meer vijandige kampen. (Denk ook aan de tactiek van dictators: ‘verdeel en heers…’)
Uitdelen – weer iets heel anders  –   kan gaan  over materie, maar ook over zaken als kennis, geluk of energie. Het klinkt mooi, maar gaat altijd uit van een ongelijkheid.  Vanuit jouw overvloed , vanuit jouw ergens meer van hebben dan een ander iets weggeven is prachtig,  maar kan een schrijnend kantje hebben. De moeilijkheid bij dit begrip  schuilt in het gevaar van  macht en/of afhankelijkheid.

Van alle varianten is delen het meest mystieke woord, het diepzinnigste begrip om te laten weerklinken in jezelf. Als bewoners van deze planeet delen we veel meer dan we denken. Oneindig veel meer. Delen is op aarde misschien wel het sleutelwoord. En woord voor de toekomst.

Stal

In de laatste dagen van december zijn we massaal gefocust op licht.  Lichtjes binnen en buiten, kaarsen op tafels en in vensterbanken; de opluchting dat het licht in de natuur terugkeert.  Het kerstfeest zelf gaat over nóg een licht: het Licht der Wereld dat in Bethlehem in een stal werd geboren als een kindje, Jezus genaamd. Het zou op aarde zijn gekomen om de mensheid te verlossen van de duisternis.  
Op alle mogelijke niveaus zijn we in deze tijd van het jaar bezig met licht en daarmee impliciet met de donkerte in alle betekenissen die we zo goed en zo kwaad als het gaat proberen te verdrijven.  Te vergéten is misschien beter uitgedrukt.

Als je in de moderne tijd willekeurige mensen vraagt naar hun eerste associatie met kerst, krijg je de meest uiteenlopende antwoorden. Cadeaus, gezelligheid, familie, vakantie. Maar ook: uit je dak gaan, feesten, schransen, zuipen.  Decadentie, commercialisering of juist het tegenovergestelde: de nachtmis, vroomheid en gevoelens van of voor heiligheid.  Alles is er, alles loopt door elkaar.  De donkerste tijd van het jaar laat een wonderlijke  mix  van waarden, gevoelens en praktijken zien die voor sommige  zielen bepaald verwarrend aanvoelt. Immers kerst móet, maar wat precies, dat is de vraag.  
Wat ons bindt is dat we ons in de laatste weken van december op totaal verschillende manieren onderdompelen in verzachtende omstandigheden van schoonheid, genieten en samenzijn  – althans dat proberen.  Een collectieve oefening in ‘lichter bestaan’.  For the time being.

Te midden van al deze drukte en dit koortsachtige  streven naar vergetelheid blijft één fenomeen tot op de dag van vandaag tijdloos overeind. Autonoom. Onveranderlijk. In  alle eenvoud. Aanweziger dan ooit op alle mogelijke plaatsen.  In winkelcentra, musea, restaurants, op pleinen, in stations, tuincentra, bij mensen thuis:  de kerststal. Hart van het christelijke verhaal.  Wie kent het bekende tafereeltje  niet. We lopen er vaak achteloos aan voorbij.  Een schuin afhangend dak, de figuren van Jozef en Maria met het kindje, stro, de os en de schapen. Soms zijn er levende dieren. Daar genieten vooral kinderen van.   

Stal betekent oorspronkelijk staanplaats, rustplaats. Dat het Licht uitgerekend hier inviel, is betekenisvol in zijn algemeenheid.  Los van wat je gelooft, kan je in het bijbelverhaal over de geboorte dan ook nog een heel andere boodschap lezen. Opmerkelijk is ten eerste  dat er ook toen al   sprake was van een algehele registratie  die plaatsvond  op last van keizer Augustus. Jozef en Maria waren daarvoor op weg naar Bethlehem.  Maar dan. 1.  Het wonder voltrekt zich aan mensen die nergens terecht kunnen , overal de deur worden gewezen. Bij  onopvallende lui zonder aanzien die bij niemand welkom zijn.  2. Buitenzintuiglijke waarnemingen zijn allesbepalend in het verhaal : herders in het veld geloven de engelen en handelen ernaar . De wijzen uit het oosten begrijpen vanuit een innerlijk  weten de betekenis van de ster en gaan op weg.  

Wat willen deze feiten zeggen? Laten we ook déze betekenissen wel eens tot ons doordringen? Over kerst gesproken!  Aan de stal ga je niet zomaar voorbij.  Een plek om bij stil te staan, of je gelooft of niet.

Vriendschap

Beter een goede buur dan een verre vriend. In tijden van nood leert men zijn vrienden kennen. Twee oude en bekende gezegdes  waarin een schat aan ervaring, wijsheid en realiteitszin besloten ligt.  Hoe kunnen we hiernaar kijken in deze tijd waarin coronaproblematiek ons persoonlijke leven in toenemende mate binnendringt? Zijn de uitdrukkingen nog altijd even geldig en herkenbaar of moeten we er kanttekeningen bij plaatsen nu meningsverschillen onze relaties steeds meer beginnen te domineren?

De eerste uitdrukking lijkt vooral betrekking te hebben op praktische zaken. Immers, wie rijdt mij eerder naar de dokter of brengt mij dat pannetje soep als ik ziek ben: de goede buur of de vriend die honderd kilometer verderop woont? Bij het tweede gezegde kan het – behalve over praktische zaken – ook over andere dingen gaan. Ja, eigenlijk over alles.  Globaal gaat het hier om de vraag wie er naast je blijft staan als het in het leven moeilijk wordt. Oftewel met wie je geestelijk en praktisch verbonden blijft,  ook onder minder rooskleurige omstandigheden. Dit geldt zowel voor een geval van individuele nood als voor de situatie waarin je nood deelt met (vele) lotgenoten.

Wat is vriendschap eigenlijk? Wat zijn vrienden? De herkomst van het woord is interessant. In de vroege middeleeuwen was de betekenis van vriend onder andere: bloedverwant, minnaar, beminde. Een vriend is hij die liefheeft. Grote woorden die betrekkelijk kunnen blijken wanneer we onszelf in alle eerlijkheid onderzoeken op onze gevoelens jegens hen die we ‘onze vrienden’ noemen. Vaak spreken we over ‘een vriend of vriendin’ als het een vage kennis betreft. En wat te denken van de zogenaamde allemansvriend, hij of zij die met de hele wereld bevriend is of dat zou kunnen zijn?

De vraag is of vriendschap altijd moet draaien om diepe gevoelens. Over deze kwestie hebben filosofen van alle tijden zich heen gebogen. In de Oudheid formuleerde Aristoteles drie intenties die kunnen spelen bij vriendschap:  1.vriendschap louter voor de gezelligheid, 2. vriendschap voor het nut en 3. de meest nobele ‘ware of derde’ vriendschap waarin het werkelijk om de ander draait  (maar waarin  volgens Aristoteles de twee eerste ook  best een rol kunnen spelen). In de laatste vriendschap haal je het beste in elkaar naar boven en wil je het goede voor de ander. Hoe een vriendschap ook gekleurd is, misschien is het goed om te stellen dat alle soorten vriendschap hun waarde hebben.  
Essentieel in vriendschap is wederkerigheid, in praktijk en behoefte, plus  het feit dat er iets wordt gedeeld.  Dat ‘iets’ kan variëren van een gemeenschappelijke hobby, levensvisie of geschiedenis.  De uitwisseling van intieme zielenroerselen tussen vrienden bestaat pas sinds het tijdperk van de Romantiek en werd tot voor kort vooral als iets vrouwelijks gezien.

Vriendschap is een niet geformaliseerde verbinding, dit in tegenstelling tot bijvoorbeeld het huwelijk. Dit betekent vrijheid, maar ook kwetsbaarheid. Vanuit een positieve motivatie moet vriendschap wederzijds onderhouden worden.  Maar de balans in behoeften kan uit evenwicht raken en iemand kan zomaar ‘ de vriendschap opzeggen’, zich terugtrekken, de ander laten zitten, zonder daar een duidelijke reden voor aan te geven. Dit kan leiden tot grote pijn of diep verdriet. De gedupeerde mist in dat geval de steun van een omgeving zoals deze zich doorgaans wel na een formele scheiding aandient.

Beleefde vriendschap decennialang een sterke bloei onder andere door losser wordende familieverbanden, de laatste jaren lijkt er iets te veranderen. Het zwaartepunt van emotionele geborgenheid lijkt in toenemende terug te keren naar de bakermat: the good old family. Onder druk van ontwikkelingen en spanning in de wereld is deze beweging naar binnen zowel begrijpelijk als betreurenswaardig. Betreurenswaardig omdat families zonder vitale vriendschapsrelaties daarbuiten minder zuurstof krijgen, maar ook omdat het juist in deze tijd van groot belang is dat we de kunst van vriendschap blijven beoefenen en bovenal ontwikkelen –  dwars door de netelige coronakwesties heen. Immers: hoe  komt  het dat een verschil in standpunt opeens een verbinding  kan vernietigen, wat zegt het over de betreffende vriendschap en  over onze omgang met vriendschap in het algemeen?

Reflectie op wat vriendschap voor je betekent en op de zorg die je aan je persoonlijke vriendschappen besteedt, vormt een belangrijke, zo niet onmisbare bouwsteen in je leven en een bijdrage aan de toekomst in het algemeen.

Eenvoud

Wat is je eerste gedachte, gevoel  of beeld bij het woord ‘eenvoud?’ De vraag is een aardige binnenkomer op het terrein dat bij sommigen gemengde gevoelens oproept, op anderen juist grote aantrekkingskracht uitoefent.  Waar zitten we precies bij dit woord, dit begrip?  Denk je aan tiny houses, monniken, lager ontwikkelde mensen of misschien wel aan een oude  Lada met een dashboard  waarop niets maar dan ook niets overbodigs op staat?  

Wat is eenvoud eigenlijk? Wat betekent het? Zoals dikwijls geeft de oorsprong van een woord belangwekkende informatie. Eenvoud wilde in de middeleeuwen zeggen: éénmaal gevouwen ( voud komt van vouwen) . Dus letterlijk iets uit één stuk, iets geconcentreerds, maar ook iets ongekunstelds, iets ondubbelzinnigs;  iets zonder dubbele agenda  zou je kunnen zeggen.  Aardig is dat het woordenboek van Van Dale in de eerste plaats negatieve omschrijvingen van het woord  geeft: iets wat niet of weinig samengesteld/ingewikkeld  is  ; de afwezigheid van pracht, praal of bijbedoelingen.  Kennelijk moet je bij eenvoud beginnen bij wat er niet is.
Eenvoud gaat over essenties.  Over datgene wat nodig is om bij de kern van zaken, problemen of van jezelf en je leven uit te komen, maar tegelijk ook over alles wat je daarvan afhoudt, afhouden kán. Over wat niet strikt nodig is dus. 

Direct voorbij de grens van het nodige lonken  de fraaie landschappen van het overbodige. Maar al te graag verzeilen we daar en laten toe dat ruis en ballast ons het zicht op de kern ontnemen. Dikke kans dat buiten de eenvoud de mist begint.  Het gaat hier over werkelijk alles wat in je leven speelt. Zelfs over je denken en je spreken. Over je omgang met sociale contacten. Over je activiteit op internet.
In de moderne tijd is veel eenvoud verloren gegaan. Door de technologie maar ook de bureaucratie  zijn veel dingen ingewikkeld geworden en moeilijk tot een kern terug te brengen. We zijn gewend geraakt aan een teveel van alles, gewend geraakt om dingen ingewikkeld te voelen, te zien maar ook te maken. Dit geldt ook voor ons persoonlijke leven.
Veel problemen waar we tegenaan lopen zijn ingesponnen in niet ter zake doende gedachten, angsten, piekerijen, vooruitlopende veronderstellingen of foutieve gedachten over anderen. Ze verhinderen de blik op de kern van de zaak: waar gaat het hier nou écht om? Wat moet of kan hier gebeuren? Even afstand nemen, de geest verzetten, maar ook meditatie helpen om je situatie of vraagstelling te ontdoen van ruis.
Hetzelfde geldt voor moeilijke keuzes. Eenvoud toepassen vertaalt zich hier in de vraag: wat sluit wezenlijk aan bij mijn ontwikkeling? Mijn diepste wens? Ook hier loont het zich de moeite om eerst te proberen onnodige en oneigenlijke  afwegingen als zodanig  te ontmaskeren.

Tot eenvoud besluiten betekent een geweldig  avontuur dat zowel spannend als bevrijdend is. Bevrijdend omdat je niet alleen  leert onderscheiden wat storend is en je afleidt van wezenlijke zaken, maar vooral ook omdat je die dingen ter zijde mag laten en er niet serieus op in hoeft te gaan.  Het betekent dat er meer ruimte ontstaat. Lucht! Eenvoud is spannend omdat zij in elke situatie, op elk moment toepasbaar is. Als richtlijn, als wegwijzer – met onmiddellijk merkbaar resultaat. 

Een vraag die kan rijzen bij eenvoud is of zij de zeer ingewikkelde en complexe werkelijkheid – waarin alles immers met alles is verweven  – niet te kort doet. Snij je immers  iets wat ‘eenmaal gevouwen is’ niet af van een omgeving, zeg maar van het grotere geheel, wanneer je het bij de kern wilt houden, dus bijkomstige  aspecten of aanwaaiende gedachten opzij schuift? Hierover  kan enige verwarring ontstaan.  Er bestaat echter een verschil  tussen de grote werkelijkheid met een hoofdletter  waarin alles met alles samenhangt en die uit haar aard ingewikkeld is en aan de andere kant de eenvoud die niet nodeloos ingewikkeld is.  Dat is heel wat anders.  Anders gezegd: sommige situaties in het leven zijn echt ingewikkeld. Andere zijn het nodeloos – en dus tot een kern terug te brengen door toepassing van de eenvoud.
De eenvoud, die altijd helder is, kan prima functioneren binnen de complexe werkelijkheid en daar vaak zorgen voor een betere doorstroming van energie en een vruchtbaarder dynamiek.

Eenvoud is een keuze. Een levenshouding. Een visie. Je kunt je er op eigen kracht in trainen, vierentwintig uur per dag, een leven lang . Het is ook léuk. Check bijvoorbeeld regelmatig eens of je iets  niet  ingewikkelder maakt dan nodig.  Of leg gesprekken eens langs de lat van de eenvoud en voel je gesterkt om bepaalde situaties vriendelijk uit de weg te gaan. Zeg bepaalde dingen die nergens toe dienen gewoon eens níet. Leven met eenvoud als criterium  kan helpen je denken zuiverder te richten en bepaalde knopen gemakkelijker te ontwarren of door te hakken.  Last but not least helpt het je om dat ene kledingstuk toch maar niet te kopen (je hébt al iets dergelijks  in je kast hangen…). En daarmee zijn we bij het milieu beland.
Op het gebied van de levensstijl liggen belangrijke keuzes.  Maar het gaat hier niet alleen over kopen. Het gaat over consumptie op alle mogelijke gebied.  Op een dieper niveau om de vraag hoe we omgaan met onze behoeftes en hoe we deze in stand houden. Hebberigheid, alles willen, maar ook alles willen meemaken, niets willen missen etc. betekent dat we niet in eenvoud leven.

Eenvoud:  spannender en fijner dan je denkt! Neem het ‘niet meer dan nodig’ of ‘kan ik zonder?’ als een stem mee in jezelf en je zult verbaasd staan over de effecten…  

Problemen

Wat is een probleem? Volgens het woordenboek van Van Dale heeft het woord twee hoofdbetekenissen. In de eerste plaats is het een gesteld vraagstuk, een werkstuk. Iets wat ter discussie staat. Daarnaast betekent het een moeilijke, verdrietige omstandigheid. Concreet vragen we aan een ander of in een bepaalde situatie : ‘wat is het probleem?’
Problemen kunnen van individuele, sociale, materiële  of algemene aard zijn. Een voorbeeld van het laatste is de actuele politieke situatie in ons land.

Bij de meeste problemen die we kennen is het handig om de twee bovengenoemde betekenissen te onderscheiden. Om te beginnen is er dus een zaak  waaraan gewerkt moet worden , iets wat de aandacht vraagt. Tot zover is de toon neutraal. De tweede betekenis geeft aan dat de betreffende  zaak –  in verschillende gradaties – moeilijk kan zijn. Hier wordt het al emotioneler.  Nog sterker is dat het geval bij een verdrietig probleem. Niet alle problemen zijn echter verdrietig : denk aan een technisch probleem dat moet worden opgelost.  Zo’n probleem van materiële aard kan best heel moeilijk zijn maar  vraagt in de eerste plaats om studie, vindingrijkheid  en tijd.

Bij ieder probleem dat zich voordoet kan je een paar belangrijke vragen stellen.
Moet het wel opgelost worden? (Moet verdriet bij rouw bijvoorbeeld wel verdwijnen en moet dat ook nog eens binnen een bepaalde tijd?) Kan het opgelost worden? Voorbeeld: onze onzekerheid omtrent  de aard en bedoeling van deze planeet.  Sommige problemen moeten al of niet tijdelijk worden doorstaan om tot oplossingen op andere terreinen te komen.
De interessantste vraag bij veel problemen is echter die naar de wil. Hoe sterk is in een bepaalde situatie de wil van betrokkenen om diep in een kwestie te duiken (eerste betekenis) met het doel om iets wat hindert, verdrietig is of zelfs de levensstroom blokkeert uit de weg te ruimen –  voor zover dat natuurlijk kan?
Belangen, overtuigingen, onbewuste emoties, geestelijke gemakzucht en heel veel ruis van allerlei aard kunnen ervoor zorgen dat we in sommige problemen blijven hangen. Niet omdat ervoor geen oplossing mogelijk is maar omdat we onvoldoende wilskracht genereren – individueel of collectief. (In hoeverre het huidige formatieprobleem in ons land in deze categorie valt, laten we hier maar even buiten beschouwing.)

Als de wil inzake oplosbare problemen ontbreekt, zal er zonder al te veel klagen moeten worden geleefd met de situatie. Waar voldoende wil wel bestaat – en deze gaat samenvallen  met intentie – wordt het spannend. Immers hoe groot en sterk is ons probleemoplossend vermogen? Dit vermogen kan worden getraind en gedijt onder bepaalde basisvoorwaarden: 1. Een zekere emotionele rust en helderheid, 2. Kennis van zaken en omstandigheden en 3. Het bewustzijn dat er plaats moet worden gemaakt. Ikkigheid zal moeten inschikken voor iets dynamisch dat uit zichzelf een werking heeft;  voor een resultaat dat uit meer bestaat dan de som der delen.  Oplossingen moeten namelijk de ruimte krijgen om te kunnen ontstáán.

Het mag duidelijk zijn dat tussen het al of niet moeten, kunnen of willen oplossen van problemen gemakkelijk een spanningsveld kan groeien. Dit kan aanvoelen als een machteloos makende en  onontwarbare knoop. (Het eindeloos trekken aan problemen die niet kunnen worden opgelost, of althans niet op dit moment, kunnen leiden tot ernstige depressie, burn-out etc.)
Bezinning  op wat in specifieke situaties nou eigenlijk de status van de vraagstelling is en hoe het zit met  de wenselijkheid of mogelijkheid om een oplossing te vinden, kan veel verduidelijken.  Zeer waarschijnlijk schept het lucht en maakt het energie vrij om op constructieve wijze  verder te kunnen gaan.

Herstellen

Als deze zomer íets duidelijk maakt, is het wel dat wij er nog  niet zijn met corona. Met de uiterlijke omstandigheden. Met de wisselende maatregelen en onze mening daarover.  Onze emoties. We bevinden ons in een situatie die rust en overzicht mist. Als individu hebben we niet alleen te maken met feitelijke voorschriften en onze worsteling daarmee, maar ook met een dikwijls moeizame en soms zelfs   tumultueuze verstandhouding met onze medemens.  Meer dan ooit wordt onze tolerantie op de proef gesteld.  Andersdenken is niet meer wat het was. Verbinding, solidariteit en inlevingsvermogen stranden maar al te vaak op irritatie: een verschil van inzicht in wat nodig is.
Ieder voor zich en God voor ons allen, zo luidde het in een zeker verleden. De kreet kan vandaag de dag weer worden opgepoetst. Want als individu worden we constant in beslag   genomen  door  de persoonlijke zoektocht naar de manier waarop we de crisis kunnen overleven.  Voor iedereen voelt en is dat anders! Hoe kunnen we nog toe naar een vorm van gemeenschappelijkheid?

Herstellen is een woord dat we vooral gebruiken bij ziekte. Het betekent beter worden nadat er iets scheef ging, malaise veroorzaakte, de verkeerde kant opging. Het betekent niet dat een lichamelijk of geestelijk systeem in de oude staat terugkeert – dat is sowieso onmogelijk – het betekent dat iets wordt veranderd of toegevoegd zodat een nieuwe balans ontstaat die functioneren mogelijk maakt.   Het voorgespiegelde en vurig gewenste  ‘terug  naar normaal’ vanuit de coronacrisis is nog niet gekomen. Geen wonder. Al is de kreet begrijpelijk,  het is een slordig misverstand dat dit ook maar op enig moment  gaat gebeuren.  In de voorstelling wordt namelijk een cruciale fase overgeslagen: die van herstel.
Herstel vraagt om tijd.  Het vraagt om een herschikking van delen en elementen. Om de toevoeging van iets. Ook in het geval van ons te boven komen van corona zal een reconstructie moeten plaatsvinden – op persoonlijk én collectief vlak. Zolang we niet beseffen dat daarbij zowel geduld als een actieve geestelijke houding nodig is, zal het modderen blijven.

De maatschappelijke discussies en onenigheid kennen we zo langzamerhand wel. De media herkauwen ze tot in den treure. Je wordt er soms niet goed van. Maar hoe zit het bij onszelf? In onze psychologie? Energiehuishouding? Om meerdere redenen lijken we onszelf deze zomer meer tegen te komen dan ons lief is. Alleen al door bij jezelf na te gaan waar je zin in hebt (of niet), waar je fut voor kan opbrengen (of niet), hoe vaak je denkt ‘laat maar’…  kan je erachter komen hoe het met je is gesteld.  Is het raar? Waren we eerst genoodzaakt om afstand te doen van zo heel veel dingen waar we kracht en vreugde uit putten – en hebben we die aanpassing min of meer succesvol uitgevoerd  – , moeten we nu weer uit  dat systeem terugkomen.  Een systeem dat de koers van onze energie verlegd heeft en ons brein en onze zinnen heeft  aangetast.
Daar komt nog iets bij wat het persoonlijk herstel ingewikkeld maakt. De uitnodiging om onze coronacocon te verlaten is niet zonder haken en ogen. Immers, op welke werkelijkheid  kunnen we ons richten?   Waar moeten we ons op afstemmen,  waar kunnen we op rekenen?  We hebben geen idee of iets zal duren of wellicht binnen de kortste keren opnieuw onder onze handen zal afbreken.  Dus waarvoor je inzet? Voorlopig lijkt de buitenwereld drijfzand, een gebied waarin je je niet zomaar in vol vertrouwen begeeft. Dit heeft gevolgen voor het vlammetje van je levensvuur.  Voor de vraag in zijn algemeenheid: heb je er zin in?
Wat helpt is dingen doen die binnen je bereik liggen, dingen waarbij je zelf het overzicht hebt en de regie in eigen hand kunt houden.  Velen doet dit al sinds de crisis uitbrak. Maar een bewustzijn van het feit dat we herstellende zijn kan hier  wel iets aan toevoegen:  het besef dat we in een overgangsfase verkeren en dat alles momenteel een zekere voorlopigheid heeft. Herstellen is op weg zijn naar een andere manier van zijn. Op weg naar een beter leven.

Naast persoonlijk herstel vraagt collectief herstel om aandacht. Komen we daar wel aan toe of zijn we voortdurend  te druk met onszelf ? Herstel van de gemeenschap lijkt een ingewikkelde kwestie te zijn geworden die vraagt om een grondige en ernstige bezinning. Fundamentele vragen dienen zich aan. Immers hoezo herstel? Was de gemeenschap vóór corona dan wél gezond? Wat zijn – los van corona – de mogelijk andere factoren die ons in deze tijd uiteendrijven?  Wat kunnen we zelf doen op dit gebied?
Om te komen tot herstel van de gemeenschap zullen we moeten beginnen met verlangen. 
Want missen we niet iets in deze tijd? In de ruzies rond corona en hoe je je daartoe verhouden moet, in het uitzichtsloze gekibbel in de media en op tv? Zou het niet wat   beter kunnen onder en met elkaar?

Herstellen gaat niet zomaar. Met het verlangen naar beter en de wil om anders te gaan kijken en denken begint het pas. Herschikken en toevoegen. Tijd nemen. Geduld.  Wakker zijn en bereid om energie en behoeften  – inderdaad – anders te gaan richten. Want moeten
we uiteindelijk ook niet van een heel andere ziekte herstellen, namelijk die van het gemis aan saamhorigheid? Een besef dat door de situatie rond corona alleen maar duidelijker wordt.

Ruimtevaart

Ruimtevaart is hot. In de wetenschap zijn de laatste jaren fenomenale vorderingen gemaakt op het gebied van onderzoek naar omstandigheden op planeten en in het heelal. Technologie maakt al het denkbare mogelijk en duizelingwekkende afstanden worden afgelegd door soms minuscule apparaten die vanaf de aarde worden gevolgd of bediend. Knap! Dat een voertuig of apparaat een paar jaar onderweg is, vinden we daarbij inmiddels gewoon. Maar ook  bemande ruimtevaartuigen zijn aan de orde van de dag en soms verbaas je je erover dat hier of daar alweer een gezelschap veilig op aarde geland is zonder dat je überhaupt wist dat men vertrokken was. De grondige screening en lange training vooraf, gevolgd door de nog altijd ‘grappige’ staat van gewichtsloosheid waarin men terecht komt als het zover is, het zijn welbekende aspecten uit het leven van een astronaut. Iets minder bekend maar de laatste tijd vaker in het nieuws is het zogenaamde overview effect, dat sommige terugkerende ruimtevaarders overkomt. Het op afstand waarnemen van onze planeet kan leiden tot een emotioneel besef van kwetsbaarheid en noodzaak om zorg te dragen voor de aarde – zodanig zelfs dat menigeen het roer in zijn of haar leven diepgaand omgooit na een dergelijke ervaring.

Wetenschappelijke ruimtevaart is één ding.  Doelen ervan zijn altijd gevarieerd geweest: het verkennen van andere planeten in relatie tot de geschiedenis van de aarde,  meer specifiek het verkennen van hun bewoonbaarheid – nu of ooit.  Voorts het zoeken naar de oorsprong, reikwijdte en ontwikkeling  van het heelal, naar de aard van materie en – meest populair als doel – de zoektocht naar het mogelijk bestaan van intelligente wezens met wie wij zouden kunnen communiceren. (De UFO beweging met haar  raadselachtige en spannende waarnemingen en verhalen mag dan door de wetenschap niet altijd even serieus worden genomen, zij houdt het ongeloof dat wij alleen zijn in de ruimte ferm in stand.)
Als typisch aards fenomeen is de wetenschappelijke ruimtevaart  niet gespeend van jaloezie, concurrentie, haat en nijd.  De verschillende grootmachten  strijden vanaf het begin ,  dat wil zeggen vanaf de tweede helft van de vorige eeuw toen de ruimtevaart van de grond kwam, om de eerste plaats, om de nieuwste kennis en uiteindelijk natuurlijk om de macht.

Sinds kort ontwikkelt zich naast de wetenschappelijk georiënteerde  ruimtevaart een tweede type – mogelijk gemaakt door rijkdom en ontwikkelingen binnen  de technologie. Bijna dagelijks kun je erover lezen.  De droom van velen wordt waar. Als we het mogen geloven… Doelen van deze ruimtevaart variëren van sensatie, experience, toeristische attractie tot heel concreet: een  oneway ticket  en een verhuizing.  Want wie zou er niet graag de ruimte krijgen en als god gaan leven op een andere planeet? Voor de goede orde: het zijn wel de multimiljonairs en miljardairs die deze tak van ruimtevaart mogelijk maken en exploiteren.

Soms – als je de ruimtevaart eens van een afstandje  beschouwt  – kunnen je zomaar enkele vragen bekruipen. 1. In hoeverre verstoren wij de energie in de ruimte met onze aanwezigheid en belangrijker nog: hoe gevaarlijk is dat?  Hebben wij enige notie van mogelijk ernstige  consequenties die we niet overzien?  2. Welke mentaliteit drijft ons ten diepste wanneer wij de ruimtevaart beoefenen?  Wat willen we er eigenlijk mee, met andere woorden, wat is bij alle genoemde doelen het ultieme doel van ruimtevaart? Is dit doel ergens geformuleerd, laat staan bediscussieerd?
Stel dat de inspanningen die gemoeid zijn met de kapitaalverslindende en mogelijk riskante uitbreiding van de aardse  levenssfeer  (niet genoeg, niet tevreden, nog verder, nog meer, of alleen maar mateloos nieuwsgierig en onbeheerst in het willen weten – zijn we nóg niet uitgekolonialiseerd?) – stel  dat al dat geld, al die tijd  en al die gedrevenheid besteed was geweest of besteed zou worden aan de zorg voor de planeet die wij geacht worden goed  te beheren…

Waarom wegkijken van je eigen plek in de hoop en verwachting  dat het gras lichtjaren verder een tikkeltje groener is? Zolang een ruimtereis nodig is om liefde voor deze aardbol op te vatten en we weigeren de ruimte in onszelf en voor elkaar te zoeken, zolang zijn we ver verwijderd van het bewustzijn dat onze  planeet verdient – en vráágt.

Voorbij de taal

Er was eens een tijd dat taal niet bestond. Althans niet de taal zoals wij haar kennen, met regels, grammatica en ontelbare woorden voor concrete en abstracte dingen.  Hoe wezens in de prehistorie  met elkaar communiceerden is onbekend. Gebaren, telepathische overdracht, geluiden en andere manieren waarvan we ons geen voorstelling kunnen maken – of het moet iets zijn wat op dierlijke communicatie lijkt – zullen het samenleven op aarde mogelijk hebben gemaakt.  Deze situatie heeft lang, zeer lang geduurd. Totdat het drukker en anders werd op aarde. Mensenhersenen ontwikkelden zich, nieuwe behoeftes ontstonden. Het  onderlinge verkeer werd intensiever en gerichter, een voorzichtig begin van handel ontstond. En daarmee de noodzaak om dingen te benoemen en vast te leggen. Over het algemeen wordt aangenomen dat de taal die voor ons zo vanzelfsprekend is, pas  vier- à vijfduizend jaar bestaat.  Zeker in het begin zal  haar hoofdtaak geweest zijn: het verwijzen naar concrete dingen en naar hoeveelheden. Geen koe maar een paard. Twee oorbellen in ruil voor een armband.  Daarna is het hard gegaan met de ontwikkelingen.

Wat doet taal eigenlijk? Wat is het precies? Taal is een fenomenaal hulpmiddel voor de mens.  Zij helpt ons het leven te ordenen en  maakt expressie mogelijk van de wil, van bedoelingen en van besluiten.  Gaandeweg in de geschiedenis  steeds meer óók van gedachten, gevoelens en allerlei  abstracte zaken. Taal werd met name in onze cultuur hét communicatiemiddel bij uitstek. Wij bouwden en bouwen op haar. Volledig. Ook al zeggen we wel eens ‘daar zijn geen woorden voor’ (hoewel je dat de laatste tijd minder hoort en misschien staat dat ergens voor?) , in feite zijn we gaan geloven dat taal alles voor ons doet.  Móet doen. Wat je zegt ben je zelf.  We zijn op de een of andere manier  gaan aannemen dat alles in de taal gebeurt. Dat we onze woorden zijn. Daarom vinden we het normaal om elkaar op onze woorden af te rekenen. Zeker in de huidige tijd.  Hiermee doen we onszelf niet alleen te kort: we raken verstrikt in een foute voorstelling  van zaken. Een ernstig misverstand omtrent taal. 

In haar functie van helper doet taal twee dingen.  Ze verwijst en deelt in. Een woord als koe is niet het beest zelf, maar een teken dat wijst naar een dier met bepaalde kenmerken. Niet het woord maar het dier buiten het woord is ons onderwerp  wanneer we ‘koe’ zeggen. En dat dier is uniek, complex en volstrekt enig in zijn verschijning. Behalve verwijzen naar iets wat aanwezig is, kan taal ook het afwezige benoemen: ‘koeien geven melk’ (alle koeien op de aarde in één woord samengevat!). Dat is niet alleen snel en gemakkelijk, het is ook een groffe simplificering. De taal gaat ervanuit dat we ons hier bewust van zijn.  Het is de voorwaarde voor haar bestaan.             

Taal kan niet verwijzen zonder in de werkelijkheid in te grijpen. Zij móet een verdeling toepassen.  Zie ik hier een paard of een koe? Oorbellen of een armband? Taal is een onmetelijke  kast met ontelbare laatjes voor dit of dat. Zwart of wit. Man of vrouw.  Goed of fout. Deze kern van de taal – iets is dit of dat – vraagt om een verstandelijk overwegen: in welk (woord)laatje moet ik iets  stoppen? Deze emotie?  Deze persoon?  In de taal kan iets of iemand nooit in twee laatjes tegelijk passen. Daar zijn geen woorden voor. Daarom is taal  weliswaar een fijne hulp maar wel eentje met serieuze beperkingen. Taal  is ten diepste rationeel.  Zij vereenvoudigt (lees: vertekent) de werkelijkheid.  En dat is precies waarop het in de huidige  tijd misloopt. Wij vergeten de beperktheid van taal.
Nooit kan een woord de lading dekken van enige werkelijkheid. Iedere werkelijkheid – of het nu gaat om de werkelijkheid van een voorwerp, een situatie, een mens, een gedachte of gevoel – is vele malen rijker, unieker en ingewikkelder (lees: ondeelbaarder) dan welk woord ook maar kan aangeven. Ik ben niet wat ik zeg. Ik ben namelijk oneindig veel meer: ik ben óók dat, óók wat je niet ziet of hoort, ik ben óók het andere. Voorbij de taal ben ik en-en. Ben ik alles tegelijk:  onzegbaar en ondeelbaar.  

Het is om deze reden dat de  strijd om termen, om het exact juiste woord voor een menselijk wezen in al zijn nuances en voorkeuren  – man, vrouw, gendervariëteiten en alles wat in deze tijd  opduikt aan nieuwe vondsten – bij voorbaat een verloren strijd is.  Ook dat het radicaal cancellen van woorden zoals zwart onzinnig is. Onze waarheid ligt niet in maar achter de taal. Dat moeten we wéten. Van onszelf en van de ander. Van anderen. Van situaties. Daar moeten we terdege rekening mee houden. Taal is niet het ding waar we in moeten blijven steken. Zij  is bedoeld om te gebruiken als brug om naar de overkant te komen van een werkelijkheid die in alle gevallen te complex is voor taal en die nooit (helemaal) in woorden is te vatten.

Dialoog, het woord zegt het al:  door de woorden héén moeten om elkaar te bereiken.  Juist omdat de taal zelf  beperkt is, vraagt zij om een open houding.  Om intuïtie, wijsheid  en  gevoel.  Zonder deze kan de taal niet goed functioneren en krijgen wij zelf steeds minder lucht.

Bezetting

Mei is de maand waarin de bezetting van Nederland door de Duitsers is begonnen (1940) én  beëindigd (1945). Bezet worden, wat houdt dat in? Zoiets als onteigend worden, van je plaats worden verdreven?  Het betekent :  iets of iemand dringt je leven binnen, verjaagt je, bezet jouw plek en wil niet meer weg.  Een bezetting  kan met weinig of veel geweld gepaard gaan, maar onderdrukking, bedreiging en angst – of erger –  zullen vrijwel zeker het gevolg zijn. Het betekent  totale ontwrichting. In de veertiger jaren van de vorige eeuw heeft zich vijf jaar lang een horrorverhaal in ons land afgespeeld dat met geen pen te beschrijven is en ons voorstellingsvermogen te boven gaat. Een tijd die we nog altijd gedenken. Want ‘dat mag nooit meer gebeuren’, zeggen we. Maar sommigen zijn van mening dat het allemaal wel meeviel. Dat ook wij het in deze tijd zo vreselijk moeilijk hebben en zijn te beklagen.

Laarzen. Gebonk op deuren. Vaak midden in de nacht. Een oorverdovend gekraak.  Binnenstormende, snauwende kerels met ruwe gebaren. Weg jij! Meekomen!  Jij zegt foute dingen, schrijft foute blaadjes, bent van het verkeerde volk, van die en die verwenste groep! Als je aan de verkeerde kant zat, niet in goede aarde viel bij de bezetter, was je einde gauw bezegeld. Tenzij je je verborg. Ongekend was de nood om voorzichtig te zijn, wantrouwen te voeden tegen wil en dank, want overal loerde verraad.  De buurman, je nicht, je eigen vader, de bakker : uiteindelijk was niemand zomaar te vertrouwen, ieder vertrouwen was een gok. Dag en nacht, vijf jaar lang op je qui-vive zijn. Het verdeel-en-heersprincipe van de macht werd door de Duitsers perfect gehanteerd: door  mensen tegen elkaar op te zetten behoudt een tiran zijn macht.

Vrijheid, waar hebben we het over? De omstandigheden anno 2021 , inclusief de huidige   ‘onvrijheid’,  zijn in de verste verte niet te vergelijken met die uit de jaren veertig.  Wie dat doet, informeert zich niet!  Bombardementen. Vliegtuigen die brandend neerstortten op onverwachte plekken en tijden. De honger die rondging als een sluipmoordenaar, verdwijningen, deportatie –   Verborgen, benauwde  ruimtes waar menigeen  gedurende dagen, zelfs jaren in het donker moest bivakkeren. Niezen, hoesten of hardop lachen: het kon je einde betekenen. Gordijntjes die haast onmerkbaar, in de fractie van een seconde bewogen. Schijnheilige vragen, nieuwsgierige blikken op straat. De geheime deal, er moest toch ook wat worden verdiend… Gevolgd door weer die laarzen. Gebonk op de deur. Het hele verhaal opnieuw.

 (Het enige punt waarin je misschien een vergelijking kunt trekken tussen toen en nu  is de verdeeldheid van het volk.  Ook voor het coronavirus geldt dat het ons des te gemakkelijker kan blijven beheersen naarmate er verschillende kampen in de samenleving bestaan en het ons ontbreekt aan een geallieerd offensief om de vijand te verdrijven.)

De bezettingstijd heeft te zien gegeven wat in extremo de gevolgen zijn van een bepaald soort denken, van bepaalde eigenschappen waar we als mens mee zijn behept.  Maar die we wel kunnen leren besturen!  Als iemand vraagt: wat had jij gedaan in de oorlog, dan weten we meestal het antwoord niet.  Dat kúnnen we ook helemaal niet weten. Logisch.  Het enige wat we kunnen weten en beseffen  is dat lafheid en moed de twee pijlers zijn waartussen ons handelen zich in het algemeen beweegt. En dat bestrijding, respectievelijk  beoefening van deze eigenschappen – onafgebroken, door iedereen – een collectieve training is waarvan we iets zouden mogen verwachten.  Voor welke betere toekomst dan ook.

Spreekruimte

Er was eens een tijd dat we vonden dat je alles moest kunnen zeggen. Ik ben oké, jij bent oké! Maak van je hart geen moordkuil! Gedachten mochten worden uitgesproken, waaierden prettig en soms stormachtig vrijuit.  Mensen konden wel tegen een stootje. Er was humor, gewaagde humor, scherpzinnigheid alom. Maar tegelijk was er een enorme souplesse.  In de openbare ruimte heerste een algemeen, ongeschreven  begrip voor de kronkels van de geest. Van ieders geest. Toelaatbaarheid. Openheid voor wat spontaan naar boven kwam en zich uitte. Hoe gek je het maar bedenken kan: zeg het. Het kon. Het mocht. Vertrouwen in verandering, ontwikkeling en bevrijding van wat te lang verstikt was  geweest onder de deken van een strenge moraal vormde het draagvlak voor een buitengewoon levendige uitwisseling.

Tussen deze tijd – nog niet eens zo heel lang geleden, we hebben het over de zestiger en zeventiger jaren van de vorige eeuw – en de sfeer die tegenwoordig heerst ligt een wereld van  verschil.  De communicatie van toen is  ondenkbaar geworden. De ruimte van vrijuit spreken ging stukje bij beetje dicht en dit proces is nog altijd gaande.  Humor en verdraagzaamheid (onafscheidelijk, deze twee?) hebben plaats gemaakt voor intolerantie en een grimmigheid die  bizarre vormen heeft aangenomen. We vechten elkaar de tent uit in een bewustzijnsvernauwing die haar weerga niet kent. Ik ben oké, maar jij bent helemaal niet oké! 

Waar bleef onze bereidheid de ander de ruimte te geven? Het heeft weinig zin om steeds weer naar de sociale media te wijzen. Deze vormen alleen maar een uitvergroting van wat ook in het fysieke leven bestaat. De feiten liggen er – droevig maar waar: we hebben ons vastgedraaid in ‘nieuwe’, schadelijke gewoontes. Intussen gaat het menigeen in psychisch opzicht slecht. En hiervan (alweer) moeten we zeker niet alleen corona de schuld geven! Het gaat om kennis, bewustzijn en cultuur.  Om een collectieve intentie. Waar zijn we mee bezig? Is dit nog leuk? Angst, bedreiging, onderdrukking. Wat voor lol geeft het om angstaanjagend te zijn in woord of daad, hoe bouw je op die manier aan iets, whatever?

Om de ziekte te verdrijven en aansluiting te vinden bij de betere tijden die er zijn geweest zouden we misschien heel praktisch kunnen beginnen.  We zouden vrijplaatsen kunnen inrichten (hokjes bouwen?), waar je al of niet in het bijzijn van een zwijgende wijze even alles mag zeggen wat in je opkomt, wat je denkt. Om de geest te luchten. Van je hart geen moordkuil te hoeven maken. Want eerlijk is eerlijk:  betekent het ware uit de kast komen voor ieder mens niet dat hij of zij eens helemaal zichzelf mag laten zien?