Herstellen

Als deze zomer íets duidelijk maakt, is het wel dat wij er nog  niet zijn met corona. Met de uiterlijke omstandigheden. Met de wisselende maatregelen en onze mening daarover.  Onze emoties. We bevinden ons in een situatie die rust en overzicht mist. Als individu hebben we niet alleen te maken met feitelijke voorschriften en onze worsteling daarmee, maar ook met een dikwijls moeizame en soms zelfs   tumultueuze verstandhouding met onze medemens.  Meer dan ooit wordt onze tolerantie op de proef gesteld.  Andersdenken is niet meer wat het was. Verbinding, solidariteit en inlevingsvermogen stranden maar al te vaak op irritatie: een verschil van inzicht in wat nodig is.
Ieder voor zich en God voor ons allen, zo luidde het in een zeker verleden. De kreet kan vandaag de dag weer worden opgepoetst. Want als individu worden we constant in beslag   genomen  door  de persoonlijke zoektocht naar de manier waarop we de crisis kunnen overleven.  Voor iedereen voelt en is dat anders! Hoe kunnen we nog toe naar een vorm van gemeenschappelijkheid?

Herstellen is een woord dat we vooral gebruiken bij ziekte. Het betekent beter worden nadat er iets scheef ging, malaise veroorzaakte, de verkeerde kant opging. Het betekent niet dat een lichamelijk of geestelijk systeem in de oude staat terugkeert – dat is sowieso onmogelijk – het betekent dat iets wordt veranderd of toegevoegd zodat een nieuwe balans ontstaat die functioneren mogelijk maakt.   Het voorgespiegelde en vurig gewenste  ‘terug  naar normaal’ vanuit de coronacrisis is nog niet gekomen. Geen wonder. Al is de kreet begrijpelijk,  het is een slordig misverstand dat dit ook maar op enig moment  gaat gebeuren.  In de voorstelling wordt namelijk een cruciale fase overgeslagen: die van herstel.
Herstel vraagt om tijd.  Het vraagt om een herschikking van delen en elementen. Om de toevoeging van iets. Ook in het geval van ons te boven komen van corona zal een reconstructie moeten plaatsvinden – op persoonlijk én collectief vlak. Zolang we niet beseffen dat daarbij zowel geduld als een actieve geestelijke houding nodig is, zal het modderen blijven.

De maatschappelijke discussies en onenigheid kennen we zo langzamerhand wel. De media herkauwen ze tot in den treure. Je wordt er soms niet goed van. Maar hoe zit het bij onszelf? In onze psychologie? Energiehuishouding? Om meerdere redenen lijken we onszelf deze zomer meer tegen te komen dan ons lief is. Alleen al door bij jezelf na te gaan waar je zin in hebt (of niet), waar je fut voor kan opbrengen (of niet), hoe vaak je denkt ‘laat maar’…  kan je erachter komen hoe het met je is gesteld.  Is het raar? Waren we eerst genoodzaakt om afstand te doen van zo heel veel dingen waar we kracht en vreugde uit putten – en hebben we die aanpassing min of meer succesvol uitgevoerd  – , moeten we nu weer uit  dat systeem terugkomen.  Een systeem dat de koers van onze energie verlegd heeft en ons brein en onze zinnen heeft  aangetast.
Daar komt nog iets bij wat het persoonlijk herstel ingewikkeld maakt. De uitnodiging om onze coronacocon te verlaten is niet zonder haken en ogen. Immers, op welke werkelijkheid  kunnen we ons richten?   Waar moeten we ons op afstemmen,  waar kunnen we op rekenen?  We hebben geen idee of iets zal duren of wellicht binnen de kortste keren opnieuw onder onze handen zal afbreken.  Dus waarvoor je inzet? Voorlopig lijkt de buitenwereld drijfzand, een gebied waarin je je niet zomaar in vol vertrouwen begeeft. Dit heeft gevolgen voor het vlammetje van je levensvuur.  Voor de vraag in zijn algemeenheid: heb je er zin in?
Wat helpt is dingen doen die binnen je bereik liggen, dingen waarbij je zelf het overzicht hebt en de regie in eigen hand kunt houden.  Velen doet dit al sinds de crisis uitbrak. Maar een bewustzijn van het feit dat we herstellende zijn kan hier  wel iets aan toevoegen:  het besef dat we in een overgangsfase verkeren en dat alles momenteel een zekere voorlopigheid heeft. Herstellen is op weg zijn naar een andere manier van zijn. Op weg naar een beter leven.

Naast persoonlijk herstel vraagt collectief herstel om aandacht. Komen we daar wel aan toe of zijn we voortdurend  te druk met onszelf ? Herstel van de gemeenschap lijkt een ingewikkelde kwestie te zijn geworden die vraagt om een grondige en ernstige bezinning. Fundamentele vragen dienen zich aan. Immers hoezo herstel? Was de gemeenschap vóór corona dan wél gezond? Wat zijn – los van corona – de mogelijk andere factoren die ons in deze tijd uiteendrijven?  Wat kunnen we zelf doen op dit gebied?
Om te komen tot herstel van de gemeenschap zullen we moeten beginnen met verlangen. 
Want missen we niet iets in deze tijd? In de ruzies rond corona en hoe je je daartoe verhouden moet, in het uitzichtsloze gekibbel in de media en op tv? Zou het niet wat   beter kunnen onder en met elkaar?

Herstellen gaat niet zomaar. Met het verlangen naar beter en de wil om anders te gaan kijken en denken begint het pas. Herschikken en toevoegen. Tijd nemen. Geduld.  Wakker zijn en bereid om energie en behoeften  – inderdaad – anders te gaan richten. Want moeten
we uiteindelijk ook niet van een heel andere ziekte herstellen, namelijk die van het gemis aan saamhorigheid? Een besef dat door de situatie rond corona alleen maar duidelijker wordt.

Ruimtevaart

Ruimtevaart is hot. In de wetenschap zijn de laatste jaren fenomenale vorderingen gemaakt op het gebied van onderzoek naar omstandigheden op planeten en in het heelal. Technologie maakt al het denkbare mogelijk en duizelingwekkende afstanden worden afgelegd door soms minuscule apparaten die vanaf de aarde worden gevolgd of bediend. Knap! Dat een voertuig of apparaat een paar jaar onderweg is, vinden we daarbij inmiddels gewoon. Maar ook  bemande ruimtevaartuigen zijn aan de orde van de dag en soms verbaas je je erover dat hier of daar alweer een gezelschap veilig op aarde geland is zonder dat je überhaupt wist dat men vertrokken was. De grondige screening en lange training vooraf, gevolgd door de nog altijd ‘grappige’ staat van gewichtsloosheid waarin men terecht komt als het zover is, het zijn welbekende aspecten uit het leven van een astronaut. Iets minder bekend maar de laatste tijd vaker in het nieuws is het zogenaamde overview effect, dat sommige terugkerende ruimtevaarders overkomt. Het op afstand waarnemen van onze planeet kan leiden tot een emotioneel besef van kwetsbaarheid en noodzaak om zorg te dragen voor de aarde – zodanig zelfs dat menigeen het roer in zijn of haar leven diepgaand omgooit na een dergelijke ervaring.

Wetenschappelijke ruimtevaart is één ding.  Doelen ervan zijn altijd gevarieerd geweest: het verkennen van andere planeten in relatie tot de geschiedenis van de aarde,  meer specifiek het verkennen van hun bewoonbaarheid – nu of ooit.  Voorts het zoeken naar de oorsprong, reikwijdte en ontwikkeling  van het heelal, naar de aard van materie en – meest populair als doel – de zoektocht naar het mogelijk bestaan van intelligente wezens met wie wij zouden kunnen communiceren. (De UFO beweging met haar  raadselachtige en spannende waarnemingen en verhalen mag dan door de wetenschap niet altijd even serieus worden genomen, zij houdt het ongeloof dat wij alleen zijn in de ruimte ferm in stand.)
Als typisch aards fenomeen is de wetenschappelijke ruimtevaart  niet gespeend van jaloezie, concurrentie, haat en nijd.  De verschillende grootmachten  strijden vanaf het begin ,  dat wil zeggen vanaf de tweede helft van de vorige eeuw toen de ruimtevaart van de grond kwam, om de eerste plaats, om de nieuwste kennis en uiteindelijk natuurlijk om de macht.

Sinds kort ontwikkelt zich naast de wetenschappelijk georiënteerde  ruimtevaart een tweede type – mogelijk gemaakt door rijkdom en ontwikkelingen binnen  de technologie. Bijna dagelijks kun je erover lezen.  De droom van velen wordt waar. Als we het mogen geloven… Doelen van deze ruimtevaart variëren van sensatie, experience, toeristische attractie tot heel concreet: een  oneway ticket  en een verhuizing.  Want wie zou er niet graag de ruimte krijgen en als god gaan leven op een andere planeet? Voor de goede orde: het zijn wel de multimiljonairs en miljardairs die deze tak van ruimtevaart mogelijk maken en exploiteren.

Soms – als je de ruimtevaart eens van een afstandje  beschouwt  – kunnen je zomaar enkele vragen bekruipen. 1. In hoeverre verstoren wij de energie in de ruimte met onze aanwezigheid en belangrijker nog: hoe gevaarlijk is dat?  Hebben wij enige notie van mogelijk ernstige  consequenties die we niet overzien?  2. Welke mentaliteit drijft ons ten diepste wanneer wij de ruimtevaart beoefenen?  Wat willen we er eigenlijk mee, met andere woorden, wat is bij alle genoemde doelen het ultieme doel van ruimtevaart? Is dit doel ergens geformuleerd, laat staan bediscussieerd?
Stel dat de inspanningen die gemoeid zijn met de kapitaalverslindende en mogelijk riskante uitbreiding van de aardse  levenssfeer  (niet genoeg, niet tevreden, nog verder, nog meer, of alleen maar mateloos nieuwsgierig en onbeheerst in het willen weten – zijn we nóg niet uitgekolonialiseerd?) – stel  dat al dat geld, al die tijd  en al die gedrevenheid besteed was geweest of besteed zou worden aan de zorg voor de planeet die wij geacht worden goed  te beheren…

Waarom wegkijken van je eigen plek in de hoop en verwachting  dat het gras lichtjaren verder een tikkeltje groener is? Zolang een ruimtereis nodig is om liefde voor deze aardbol op te vatten en we weigeren de ruimte in onszelf en voor elkaar te zoeken, zolang zijn we ver verwijderd van het bewustzijn dat onze  planeet verdient – en vráágt.

Voorbij de taal

Er was eens een tijd dat taal niet bestond. Althans niet de taal zoals wij haar kennen, met regels, grammatica en ontelbare woorden voor concrete en abstracte dingen.  Hoe wezens in de prehistorie  met elkaar communiceerden is onbekend. Gebaren, telepathische overdracht, geluiden en andere manieren waarvan we ons geen voorstelling kunnen maken – of het moet iets zijn wat op dierlijke communicatie lijkt – zullen het samenleven op aarde mogelijk hebben gemaakt.  Deze situatie heeft lang, zeer lang geduurd. Totdat het drukker en anders werd op aarde. Mensenhersenen ontwikkelden zich, nieuwe behoeftes ontstonden. Het  onderlinge verkeer werd intensiever en gerichter, een voorzichtig begin van handel ontstond. En daarmee de noodzaak om dingen te benoemen en vast te leggen. Over het algemeen wordt aangenomen dat de taal die voor ons zo vanzelfsprekend is, pas  vier- à vijfduizend jaar bestaat.  Zeker in het begin zal  haar hoofdtaak geweest zijn: het verwijzen naar concrete dingen en naar hoeveelheden. Geen koe maar een paard. Twee oorbellen in ruil voor een armband.  Daarna is het hard gegaan met de ontwikkelingen.

Wat doet taal eigenlijk? Wat is het precies? Taal is een fenomenaal hulpmiddel voor de mens.  Zij helpt ons het leven te ordenen en  maakt expressie mogelijk van de wil, van bedoelingen en van besluiten.  Gaandeweg in de geschiedenis  steeds meer óók van gedachten, gevoelens en allerlei  abstracte zaken. Taal werd met name in onze cultuur hét communicatiemiddel bij uitstek. Wij bouwden en bouwen op haar. Volledig. Ook al zeggen we wel eens ‘daar zijn geen woorden voor’ (hoewel je dat de laatste tijd minder hoort en misschien staat dat ergens voor?) , in feite zijn we gaan geloven dat taal alles voor ons doet.  Móet doen. Wat je zegt ben je zelf.  We zijn op de een of andere manier  gaan aannemen dat alles in de taal gebeurt. Dat we onze woorden zijn. Daarom vinden we het normaal om elkaar op onze woorden af te rekenen. Zeker in de huidige tijd.  Hiermee doen we onszelf niet alleen te kort: we raken verstrikt in een foute voorstelling  van zaken. Een ernstig misverstand omtrent taal. 

In haar functie van helper doet taal twee dingen.  Ze verwijst en deelt in. Een woord als koe is niet het beest zelf, maar een teken dat wijst naar een dier met bepaalde kenmerken. Niet het woord maar het dier buiten het woord is ons onderwerp  wanneer we ‘koe’ zeggen. En dat dier is uniek, complex en volstrekt enig in zijn verschijning. Behalve verwijzen naar iets wat aanwezig is, kan taal ook het afwezige benoemen: ‘koeien geven melk’ (alle koeien op de aarde in één woord samengevat!). Dat is niet alleen snel en gemakkelijk, het is ook een groffe simplificering. De taal gaat ervanuit dat we ons hier bewust van zijn.  Het is de voorwaarde voor haar bestaan.             

Taal kan niet verwijzen zonder in de werkelijkheid in te grijpen. Zij móet een verdeling toepassen.  Zie ik hier een paard of een koe? Oorbellen of een armband? Taal is een onmetelijke  kast met ontelbare laatjes voor dit of dat. Zwart of wit. Man of vrouw.  Goed of fout. Deze kern van de taal – iets is dit of dat – vraagt om een verstandelijk overwegen: in welk (woord)laatje moet ik iets  stoppen? Deze emotie?  Deze persoon?  In de taal kan iets of iemand nooit in twee laatjes tegelijk passen. Daar zijn geen woorden voor. Daarom is taal  weliswaar een fijne hulp maar wel eentje met serieuze beperkingen. Taal  is ten diepste rationeel.  Zij vereenvoudigt (lees: vertekent) de werkelijkheid.  En dat is precies waarop het in de huidige  tijd misloopt. Wij vergeten de beperktheid van taal.
Nooit kan een woord de lading dekken van enige werkelijkheid. Iedere werkelijkheid – of het nu gaat om de werkelijkheid van een voorwerp, een situatie, een mens, een gedachte of gevoel – is vele malen rijker, unieker en ingewikkelder (lees: ondeelbaarder) dan welk woord ook maar kan aangeven. Ik ben niet wat ik zeg. Ik ben namelijk oneindig veel meer: ik ben óók dat, óók wat je niet ziet of hoort, ik ben óók het andere. Voorbij de taal ben ik en-en. Ben ik alles tegelijk:  onzegbaar en ondeelbaar.  

Het is om deze reden dat de  strijd om termen, om het exact juiste woord voor een menselijk wezen in al zijn nuances en voorkeuren  – man, vrouw, gendervariëteiten en alles wat in deze tijd  opduikt aan nieuwe vondsten – bij voorbaat een verloren strijd is.  Ook dat het radicaal cancellen van woorden zoals zwart onzinnig is. Onze waarheid ligt niet in maar achter de taal. Dat moeten we wéten. Van onszelf en van de ander. Van anderen. Van situaties. Daar moeten we terdege rekening mee houden. Taal is niet het ding waar we in moeten blijven steken. Zij  is bedoeld om te gebruiken als brug om naar de overkant te komen van een werkelijkheid die in alle gevallen te complex is voor taal en die nooit (helemaal) in woorden is te vatten.

Dialoog, het woord zegt het al:  door de woorden héén moeten om elkaar te bereiken.  Juist omdat de taal zelf  beperkt is, vraagt zij om een open houding.  Om intuïtie, wijsheid  en  gevoel.  Zonder deze kan de taal niet goed functioneren en krijgen wij zelf steeds minder lucht.

Bezetting

Mei is de maand waarin de bezetting van Nederland door de Duitsers is begonnen (1940) én  beëindigd (1945). Bezet worden, wat houdt dat in? Zoiets als onteigend worden, van je plaats worden verdreven?  Het betekent :  iets of iemand dringt je leven binnen, verjaagt je, bezet jouw plek en wil niet meer weg.  Een bezetting  kan met weinig of veel geweld gepaard gaan, maar onderdrukking, bedreiging en angst – of erger –  zullen vrijwel zeker het gevolg zijn. Het betekent  totale ontwrichting. In de veertiger jaren van de vorige eeuw heeft zich vijf jaar lang een horrorverhaal in ons land afgespeeld dat met geen pen te beschrijven is en ons voorstellingsvermogen te boven gaat. Een tijd die we nog altijd gedenken. Want ‘dat mag nooit meer gebeuren’, zeggen we. Maar sommigen zijn van mening dat het allemaal wel meeviel. Dat ook wij het in deze tijd zo vreselijk moeilijk hebben en zijn te beklagen.

Laarzen. Gebonk op deuren. Vaak midden in de nacht. Een oorverdovend gekraak.  Binnenstormende, snauwende kerels met ruwe gebaren. Weg jij! Meekomen!  Jij zegt foute dingen, schrijft foute blaadjes, bent van het verkeerde volk, van die en die verwenste groep! Als je aan de verkeerde kant zat, niet in goede aarde viel bij de bezetter, was je einde gauw bezegeld. Tenzij je je verborg. Ongekend was de nood om voorzichtig te zijn, wantrouwen te voeden tegen wil en dank, want overal loerde verraad.  De buurman, je nicht, je eigen vader, de bakker : uiteindelijk was niemand zomaar te vertrouwen, ieder vertrouwen was een gok. Dag en nacht, vijf jaar lang op je qui-vive zijn. Het verdeel-en-heersprincipe van de macht werd door de Duitsers perfect gehanteerd: door  mensen tegen elkaar op te zetten behoudt een tiran zijn macht.

Vrijheid, waar hebben we het over? De omstandigheden anno 2021 , inclusief de huidige   ‘onvrijheid’,  zijn in de verste verte niet te vergelijken met die uit de jaren veertig.  Wie dat doet, informeert zich niet!  Bombardementen. Vliegtuigen die brandend neerstortten op onverwachte plekken en tijden. De honger die rondging als een sluipmoordenaar, verdwijningen, deportatie –   Verborgen, benauwde  ruimtes waar menigeen  gedurende dagen, zelfs jaren in het donker moest bivakkeren. Niezen, hoesten of hardop lachen: het kon je einde betekenen. Gordijntjes die haast onmerkbaar, in de fractie van een seconde bewogen. Schijnheilige vragen, nieuwsgierige blikken op straat. De geheime deal, er moest toch ook wat worden verdiend… Gevolgd door weer die laarzen. Gebonk op de deur. Het hele verhaal opnieuw.

 (Het enige punt waarin je misschien een vergelijking kunt trekken tussen toen en nu  is de verdeeldheid van het volk.  Ook voor het coronavirus geldt dat het ons des te gemakkelijker kan blijven beheersen naarmate er verschillende kampen in de samenleving bestaan en het ons ontbreekt aan een geallieerd offensief om de vijand te verdrijven.)

De bezettingstijd heeft te zien gegeven wat in extremo de gevolgen zijn van een bepaald soort denken, van bepaalde eigenschappen waar we als mens mee zijn behept.  Maar die we wel kunnen leren besturen!  Als iemand vraagt: wat had jij gedaan in de oorlog, dan weten we meestal het antwoord niet.  Dat kúnnen we ook helemaal niet weten. Logisch.  Het enige wat we kunnen weten en beseffen  is dat lafheid en moed de twee pijlers zijn waartussen ons handelen zich in het algemeen beweegt. En dat bestrijding, respectievelijk  beoefening van deze eigenschappen – onafgebroken, door iedereen – een collectieve training is waarvan we iets zouden mogen verwachten.  Voor welke betere toekomst dan ook.

Spreekruimte

Er was eens een tijd dat we vonden dat je alles moest kunnen zeggen. Ik ben oké, jij bent oké! Maak van je hart geen moordkuil! Gedachten mochten worden uitgesproken, waaierden prettig en soms stormachtig vrijuit.  Mensen konden wel tegen een stootje. Er was humor, gewaagde humor, scherpzinnigheid alom. Maar tegelijk was er een enorme souplesse.  In de openbare ruimte heerste een algemeen, ongeschreven  begrip voor de kronkels van de geest. Van ieders geest. Toelaatbaarheid. Openheid voor wat spontaan naar boven kwam en zich uitte. Hoe gek je het maar bedenken kan: zeg het. Het kon. Het mocht. Vertrouwen in verandering, ontwikkeling en bevrijding van wat te lang verstikt was  geweest onder de deken van een strenge moraal vormde het draagvlak voor een buitengewoon levendige uitwisseling.

Tussen deze tijd – nog niet eens zo heel lang geleden, we hebben het over de zestiger en zeventiger jaren van de vorige eeuw – en de sfeer die tegenwoordig heerst ligt een wereld van  verschil.  De communicatie van toen is  ondenkbaar geworden. De ruimte van vrijuit spreken ging stukje bij beetje dicht en dit proces is nog altijd gaande.  Humor en verdraagzaamheid (onafscheidelijk, deze twee?) hebben plaats gemaakt voor intolerantie en een grimmigheid die  bizarre vormen heeft aangenomen. We vechten elkaar de tent uit in een bewustzijnsvernauwing die haar weerga niet kent. Ik ben oké, maar jij bent helemaal niet oké! 

Waar bleef onze bereidheid de ander de ruimte te geven? Het heeft weinig zin om steeds weer naar de sociale media te wijzen. Deze vormen alleen maar een uitvergroting van wat ook in het fysieke leven bestaat. De feiten liggen er – droevig maar waar: we hebben ons vastgedraaid in ‘nieuwe’, schadelijke gewoontes. Intussen gaat het menigeen in psychisch opzicht slecht. En hiervan (alweer) moeten we zeker niet alleen corona de schuld geven! Het gaat om kennis, bewustzijn en cultuur.  Om een collectieve intentie. Waar zijn we mee bezig? Is dit nog leuk? Angst, bedreiging, onderdrukking. Wat voor lol geeft het om angstaanjagend te zijn in woord of daad, hoe bouw je op die manier aan iets, whatever?

Om de ziekte te verdrijven en aansluiting te vinden bij de betere tijden die er zijn geweest zouden we misschien heel praktisch kunnen beginnen.  We zouden vrijplaatsen kunnen inrichten (hokjes bouwen?), waar je al of niet in het bijzijn van een zwijgende wijze even alles mag zeggen wat in je opkomt, wat je denkt. Om de geest te luchten. Van je hart geen moordkuil te hoeven maken. Want eerlijk is eerlijk:  betekent het ware uit de kast komen voor ieder mens niet dat hij of zij eens helemaal zichzelf mag laten zien?

Weerbaarheid

En dan zomaar ineens kan het gebeuren: jezelf genadeloos tegenkomen terwijl je het juist prima redde, je zaakjes goed voor elkaar had.  Bij alle regie en zorgvuldigheid, bij alle discipline en verstandig leven heb je het niet aan zien komen. Opeens is het er,  overvalt het je. Als een blok. Niet meer slapen. Zin hebben om te huilen.  Zwaarte voelen. Paniek zelfs misschien.  Hoe dan ook vastzitten in een hier en nu waar geen beweging voelbaar is.  Dit is dus wat een jaar corona met je  kan doen.  
Overleven vraagt meer van ons dan we in de gaten hebben. Er wordt ergens, in de onzichtbaarheid geknaagd aan onze energie.  Wat nu? Wat kan je doen om zo’n situatie goed door te komen?

Om weerbaar te zijn en te blijven in deze ongehoorde tijd kan je het beste langs twee sporen werken.  In  je eigen spoor natuurlijk,  maar tegelijkertijd  ook in het spoor van de gemeenschap, van het ‘samen’.   Voor jezelf  is het belangrijk om drie dingen in de gaten te houden.  Ben je voldoende gerustgesteld? Is het tijd om je accu opnieuw op te laden  (net zoals je dat regelmatig  met je telefoon moet doen)?  Breng je jezelf  op de een of andere manier voldoende tot expressie? Tussen deze kwesties bestaat een zeker verband, maar het is nuttig ze toch apart te bekijken.

Geruststelling –  een basis die jou overeind helpt houden  – vind je in  een levensbeschouwing of bepaalde graad van vrede met jezelf. Ook mensen bij wie je je thuis voelt en veilig bent dragen bij aan het gerust zijn.   Je hoeft ze daarvoor nog niet eens vaak te zien.   
Een accu moet opgeladen zijn, wil de wagen kunnen rijden! Je kunt zelf het beste voelen of weten hoe je dat op specifieke momenten kunt doen.  Algemene waarheden of adviezen werken niet altijd even goed, zelf voelen wat kan en nodig is wel. De accu is het meest gebaat bij iets tastbaars, fysieks.  Dingen eens anders doen dan anders kan ook wonderen doen: corona vraagt om inventiviteit en ontdekkingszin. Gewoon uitproberen.
Tot slot de expressie. Het gaat hierbij niet in de eerste plaats om kunstenaarschap, om werk of interessante hobby’s,  maar om de algemene vraag of je iets van jezelf naar buiten kunt brengen, buiten jezelf neer kunt leggen als het ware. Iets waar je blij of lichter van wordt. Dat kan van alles zijn, bijvoorbeeld iets lekkers koken of iemand aanspreken.  Je kunt het ook helemaal bij jezelf houden en je frustraties eens flink uitschreeuwen als je alleen  in de auto zit of in de storm loopt…

Maar dan! Het algemene verhaal! Dat spoor is minder eenvoudig en heeft te maken met de algemene sfeer waarin we moeten leven en die  door de collectiviteit, door alle mensen tesamen  dus,  wordt gemaakt.  Dit  geestelijke klimaat is – in tegenstelling tot het fysieke klimaat – nog altijd een ondergeschoven kindje in het openbare debat.   Wat op zich vreemd is, omdat geestelijke luchtvervuiling minstens zo erg en ongezond is als  fysieke en evenzeer een aanslag betekent op de weerbaarheid van jou en mij, kortom van iedereen en allen.  Hoe jammerlijk en onthutsend daarom is de ontwikkeling rond corona die mensen uiteen drijft, tegen elkaar opgezet, verkettert en isoleert! Vriendschappen sneuvelen, relaties raken vergiftigd.  Dat de toenemende grimmigheid en intolerantie  binnen bepaalde groepen in de samenleving  het virus alleen maar  in de kaart speelt (namelijk verhindert dat we onze gezamenlijke weerbaarheid opbouwen) betekent dat we langer in de problemen blijven zitten. Anders gezegd: de agressie van de ontkenning is voor het virus een welkom instrument.

Alleen wanneer  we erin slagen de rijen te sluiten en onze  diepe onderlinge verbondenheid te gaan erkennen – eindelijk! – pas dan zullen we krachtiger worden en serieus kunnen gaan werken aan onze algemene en individuele weerbaarheid.  Zonder ieders werk langs dit spoor zal het aanmodderen blijven.  Slechts met de inzet van allen  kan een vreugdevolle route ontstaan.

Deken

Twee dagen sneeuw heeft een dikke laag witte kou over de tuin gelegd. Complete stuifduinen sieren plekken waar je ze niet zou verwachten.  ’s Nachts bewegen er  takken  en andere schimmen overheen dankzij het licht van een  lantaarnpaal achter de schutting.  Poollucht, soms wind, meestal   ijzige stilte. Je houdt je hart vast voor wat er allemaal gebeurt.  Daaronder.  Op en in de aarde waar viooltjes en winterrozen stonden te bloeien  en  de opgeschoten narcissen al klaar stonden om zoals ieder jaar als eersten van kleur te verschieten. Wat gaan we straks zien als de warmte komt? Wat lijdt onherstelbare schade en wat zal blaken van overlevingskracht?

Een jaar corona heeft een zware deken over ons leven gelegd. Weinig zon, veel schrik, tekort aan licht.  Soms storm waarin links en rechts stemmen luid beginnen te schreeuwen en armen woest proberen weg te maaien wat een onomstootbaar  gegeven is. Vleugellamheid. Weglopende energie. Matheid. Je houdt je hart vast. Wat krijgen we te zien als straks (want ja) de druk ééns wegvalt en de aarde weer open valt? Wat zal er tevoorschijn komen?

Laten we voorbereid zijn op grote verrassingen. Leuk of minder leuk.  Dat is persoonlijk.  Maar hoe dan ook op  ‘anders’. Gebouwen en ruimtes zullen anders kleuren, verbouwd blijken, anders bruikbaar. Moeilijk vindbaar of anders ingedeeld. Gewoontes zullen zijn verdwenen als sneeuw voor de zon.  Nieuwe ingevoerd  , haast vanzelf zoals planten groeien. Misschien zal het ongelooflijk worden! Wat er allemaal onder het lastige pak waaronder we zuchten blijkt uitgebroed, bedacht, gezuiverd.  Wat er intussen gebeurde en nog steeds gebeurt.  Op mysterieuze wijze of op de tast  door onszelf tot stand  gebracht.
We gaan het zien wanneer  de lente komt:  een nieuwe wereld die bezig is zichzelf  uit te vinden.

Meningencultuur

Het mogen hebben en uiten van een mening is historisch gezien  geen vanzelfsprekendheid. Als recht is het betrekkelijk nieuw. Terwijl zo’n tweehonderd jaar geleden het hebben en uiten van een mening nog iets was voor bevoorrechten, voor deelnemers aan debatingclubs, is het tegenwoordig voor ieder mens een must. Kan je publiekelijk  nog redelijkerwijs zeggen dat je iets niet (zeker) weet, ‘hier heb ik geen mening over’ wekt al gauw verbazing. Nog sterker geldt dit voor de opmerking  ‘hier heb ik geen mening over, omdat ik er te weinig van afweet’!
Grote aanjager van de zogenaamde meningencultuur is de wetenschap geweest. Uitvindingen van moderne massamedia als televisie en meer recent van de sociale media hebben gemaakt dat wij behoefte zijn gaan voelen om over alles wat wij tegenkomen – fysiek of virtueel –  mee te praten. Overal iets van te vinden en wel meteen. Het reageren met een mening op alles wat wij zien of horen is het onschuldige stadium allang voorbij: het is een automatische reflex, een algemene dwangmatigheid geworden die zich tot ver buiten de media uitstrekt. Meningen vormen een steeds groter bestanddeel van het sociale discours. Van onze identiteit. Ze zijn onze tweede natuur geworden.

Wat zou er eigenlijk mis kunnen zijn met een dergelijke ontwikkeling? Immers  ‘…is het niet een van de grote verworvenheden van de democratie dat wij als individuen een mening mogen hebben, iets van dingen mogen vinden? Een rijkdom die wij moeten koesteren? (…) Het is een onbetwist voorrecht dat wij er in vrijheid een levensbeschouwing op na mogen houden die bij ons past. Dat wij iets mogen willen, ergens voor mogen vechten, belangen mogen verdedigen, een partij aan mogen hangen etc. Maar er ligt een belangrijk verschil tussen meningen in deze zin en de dolgedraaide mallemolen van reacties en oordelen die we er met z’n allen op na zijn gaan houden en die met name in de sociale media een uitlaatklep vindt. Wat doet een dergelijke cultuur, die steeds vaker neerkomt op het uitwisselen van in mening verpakte emoties met ons en wat hebben wij eraan op den duur? Worden wij er met z’n allen beter, vrijer van? (Citaat uit ‘Het nieuwe moeten; vragen om cultuur’.)

Het woord emoties is gevallen. Hoe werkt de totstandkoming van een mening eigenlijk idealiter?  Bij het binnenkomen van een externe prikkel, bericht of wat dan ook is het normaal dat we in eerste instantie  iets voelen. We kunnen nu beslissen of we ons verder gaan informeren en/of over de kwestie gaan nadenken. Op deze manier kunnen we ons een mening vormen, een mening die als het goed is altijd herzien kan worden op grond van nieuwe ervaringen of nieuwe informatie. 
Het probleem met meningen in zijn algemeenheid en zeker met die welke tegenwoordig het corona-debat kleuren, is dat het dikwijls niet gaat om zorgvuldig gerijpte standpunten maar om emotioneel getinte gedachten, onmiddellijk vertaald in oordelen die massaal worden gedeeld. Het verraderlijke van oordelen is dan weer dat ze zomaar om kunnen slaan in vooroordelen. En dat is wat op grote schaal gebeurt. Vooroordelen zijn oordelen die niet op eigen ervaring of kennis zijn gebaseerd maar berusten op ‘neiging, traditie of navolging’, aldus het woordenboek. Ongegronde meningen dus.

We zijn gewend geraakt aan het voortdurend becommentariëren van onbekende situaties  waar wij weinig van weten en waarmee we wellicht nooit te maken zullen krijgen.  Internet en de sociale  media stimuleren het denken en grossieren in geleende modellen : het klakkeloos overnemen van en schermen met meningen van anderen alsof het onze eigen meningen zijn. Het gevaar daarvan is dat we heilig gaan geloven dat dat zo ís. Voor we het weten zijn we verdwenen in iets waar we onszelf niet meer in terug kunnen vinden. En ook de ander niet! Want tragisch is de ontwikkeling die zich momenteel aftekent: ‘ik veroordeel jou om jouw mening – zonder dat ik naar je geluisterd heb en zonder te bedenken dat jij meer dan een mening bent;  voor mij b e n jij je mening!’  Dit is meer dan tragisch. Het is ongelooflijk dom.  Het openbare debat begint dan ook vervaarlijk te verzuren.

Daarbij komt een aspect dat we vooral niet moeten vergeten. De uitdrukking zegt het al: onze mening telt. Wij zijn in geld uit te drukken. Onze mening is goud waard. In, door en achter het complexe mediacircus staat de commercie klaar. Hoe heftiger, hoe frequenter onze drukte rond meningen, des te meer garen zij spint.

Al eens geprobeerd om ergens geen mening over te hebben?
Een mening hebben kan en mag – het hoeft en moet al helemaal niet!  

Perspectief

Niet lang na het uitbreken van corona en de invoer van beperkende maatregelen dook de  publieke vraag op naar perspectief. Waar konden we naar uitkijken? Ons op verheugen? Wat was de stip aan de horizon waar we ons op konden richten? Het ene na het andere feestje dat in beeld kwam,  bleek een fata morgana en verdampte zodra de tijd aangebroken was. Wat een frustratie! Hoe hielden we dit vol? De lente ging voorbij maar we kregen een nieuw perspectief voor ogen: de zomervakantie! Dat was iets wat ze ons niet konden ontnemen. Eindelijk zou er een kans komen om te ontspannen en misschien wel los te gaan.

We lijden aan ontbrekende vergezichten. Voor wie financiële nood en zorgen heeft zoals zelfstandigen, kunstenaars  en werkers in de horeca , is dit alleszins  begrijpelijk. Het zaken doen zonder kennis van termijnen stagneert. Opmerkelijk is echter dat we ons in onze behoeften aan perspectief volledig afhankelijk maken van de overheid. Van haar beloftes en haar bereidheid om de regels te versoepelen. We stellen ons op als bedelaars, in afwachting van een kruimeltje of beter nog, een dik stuk taart.

Kan je ook anders kijken naar perspectief? Wat is het voor jou, voor ons in zijn algemeenheid? Waarom kunnen we zo moeilijk zonder een fictief (dikwijls volgefantaseerd) punt in de tijd,  verder  voor ons uit? Wat verwachten we ervan, waar moet het ons van verlossen?  Het is nog niet zo heel lang geleden dat de oosterse wijsheid  van het ‘hier en nu’ en ‘in het heden proberen te leven’ een normaal onderdeel vormde van ons openbare gedachtegoed. Waar is de aandacht voor die houding gebleven? Anders gezegd, is er misschien iets in geestelijk opzicht wat we vergeten in onze roep om die stip aan de horizon? 

Het is waar, er wordt ons vanuit de media en de overheid weinig aangereikt op dit gebied.  Zo spoedig mogelijk  terug naar normaal en intussen maar het beste ervan maken,  is het devies.  Ook in religieuze kringen, waar hoop en vertrouwen op een goede uitkomst worden aangemoedigd, is de blik  sterk op de toekomst gericht.  Maar wat gebeurt er nou , waar zijn we nu precies mee bezig behalve met ergernis en verveling  in de tussentijd? Bestaat er in onze materialistische wereld die draait om uiterlijk leven (momenteel om de vraag wanneer kunnen we weer dit of dat)  misschien  ook nog zoiets als een  geestelijk terrein waarop en waarmee je kunt   werken – ongeacht de omstandigheden waarin je je bevindt? Om het praktisch te maken: hoe gebruiken we deze tijd  waar we ongetwijfeld meer mee kunnen (moeten?)  dan lijdzaam afwachten tot zij voorbij is gegaan?

Het is heel goed mogelijk dat er superspannende kansen liggen die we in staat zijn te gaan missen als we geestelijk niet wakker zijn. Hieronder enkele voorbeelden van kwesties  waartoe deze tijd ons uitdaagt. Het idee daarbij  is dat we uit bepaalde feiten betekenissen  kunnen halen (boodschappen zo je wilt) die heel dicht bij de feiten liggen maar waarmee we flink uit de voeten zouden kunnen.

1. Feit: Afstand houden kan ons redden. Betekenis: Je moet een ander de ruimte geven.
2. Feit: Zingen brengt  risico’s met zich mee. Betekenis: Laten we een toontje lager zingen.
3. Feit: We zijn allemaal kwetsbaar.  Betekenis: Laten we zorgvuldig met elkaar omgaan.
4. Feit: We kunnen niet meer plannen. Betekenis: Miljoenen anderen op aarde ook niet;  laten we hen beter begrijpen.
5. Feit: Onze macht is betrekkelijk, kennelijk staan we  in verhouding tot iets/tot andere wetten. Betekenis: Laten we openstaan voor andere opties.

Meer dan ooit kan de geest aan de bak: het domein van alle belevingen, van communicatie, van voelen, denken en bewegen. Van het vinden van oplossingen en de wil tot (collectief) overleven. Het speuren naar de ongekende mogelijkheden van de geest en daarin creatief en waarachtig zijn,  zal ons zeker níet terugbrengen naar normaal . En dat is maar goed ook. 

Complot

Te midden van de meest bonte complottheorieën die de laatste tijd het internet overspoelen vormt de theorie die Donald Trump recentelijk de wereld in bracht een potsierlijk hoogtepunt (of dieptepunt zo je wilt). We hebben het hier over het verhaal dat zich voor, tijdens en direct na de verkiezingen  in de Verenigde Staten in het Witte Huis heeft ontwikkeld.

Het totale wantrouwen vooraf, de aantijgingen van fraude en de  verdachtmakingen van de tellers van de stemmen betekenen niet alleen dat het hele politieke systeem (lees democratie) in diskrediet werd gebracht  , het heeft ook een bijzonder helder inzicht  gegeven  in het wezen  van  de complottheorie.  Hoe zij tot stand komt.  Werkt. En de massa meeneemt, des te gemakkelijker naarmate de technologie dat mogelijk maakt.  Het verhaal van Trump is daarom ‘hoogtepunt’ omdat het duidelijk laat zien waar het in complottheorieën   steeds weer om draait: het geloof in de  boze wil van de ander. 

Complotdenken is uitgaan van een vijand die jou doelbewust ondermijnt, aanvalt of vernietigt.  Die vijand is in eerste instantie vaag: een energie  in de eigen onbewuste  psyche , gekoppeld aan angst en onzekerheid. Naarmate deze energie meer lading  krijgt en sterker wordt, zal zij doordringen in het bewustzijn en van daaruit bijna automatisch een vorm aannemen   in de buitenwereld: het unheimische, zeg maar negatieve gevoel, hecht zich dan aan iemand anders of aan een groep of volk.  Ziedaar de geboorte van de zondebok: díe heeft of hebben het gedaan. Psychologen noemen dit projectie.  Een mechanisme dat je – individueel én collectief – kunt onderkennen en bestrijden met kennis , zelfkennis en moed tot eerlijkheid.  

De bron van complotdenken is dus zwakte – een gevoel van gevaar, onmacht of  kwetsbaarheid. In de Middeleeuwen richtte de collectieve angst en onzekerheid  zich op vrouwen die als heksen op de brandstapel werden omgebracht.  Op grond van een wijdverbreide  complottheorie  kregen zij de  – onbewezen – schuld van heersende ellende. Voor Trump zijn het niet alleen de Democraten maar is het het hele democratische bestel dat samenspant om zijn macht  te  vernietigen en er naar zijn idee in faalt  om hem te beschermen  tegen de boze wil  van anderen . Hoe meer hij om zich heen slaat , hoe groter zijn angst moet zijn dat niet alleen zijn macht, maar straks ook zijn hele zelfbeeld aan flarden zal gaan…

Hoe ver kan het gaan met complotverhalen en wat doen ze met een mens? Ontstaan uit een gevoel van bedreiging,  komen ze tegemoet aan een behoefte aan ‘verklaring’, aan houvast.  Maar pas op, op hun beurt zorgen ze voor een nieuwe ervaring van machteloosheid! Jouw verantwoordelijkheid, zelfstandig denken en kans om  iets te betekenen  in de wereld worden uitgeschakeld   zodra je een complottheorie aan gaat hangen.  Wanneer immers een boze wil, machtig maar onzichtbaar en oncontroleerbaar ergens vandaan,   het op jou of allen gemunt heeft (geloof je),   geef je je eigen power en  inbreng weg. Misschien zelfs wel je levenslust?

Geloven is mooi, maar een geloof dat  wantrouwen en paranoia voedt  is de dood in de pot.