Aan het eind van ieder kalenderjaar wordt tegenwoordig een peiling gedaan naar de populariteit van woorden. Voor 2025 kwam bij volwassenen ‘hallucineren’ uit de bus.
Bij kinderen werd dat ‘6 7’. Twee cijfers, los van elkaar geschreven, uitgesproken als six seven en vergezeld van een gebaar van twee handen die – op en neer gaand – iets lijken te wegen.
Opmerkelijk genoeg. Meerdere cijfers die het predikaat van enkelvoudig woord opgeplakt krijgen! Het kinder- en jeugdwoord van het jaar nog wel. Daar houdt het nog niet mee op: six seven is een woord zonder betekenis. Het kan altijd, overal, in iedere situatie worden gebruikt. Als antwoord op een vraag, als stopwoord of tussenwerpsel. Als verzuchting enzovoort.
Over het ontstaan van de trend doen verschillende verhalen de ronde die op internet te vinden zijn. Vast staat dat het in Amerika begon maar waardoor of met wie precies is onzeker. Hoe dan ook werd het woord dankzij social media een hype onder jongeren. In Nederland werd in een tv-uitzending van ‘Even tot hier’ in november het verschijnsel op ludieke wijze bekend gemaakt bij het grote publiek.
Al met al een interessante ontwikkeling om op te reflecteren. Waar is deze toch wel heel verrassende vormgeving uitdrukking van? Wat zegt het over communicatie? Over de plek van taal?
Naast de betekenisloosheid is de functie van ‘6 7’ kenmerkend. Het woord is een middel waarmee jongeren hun domein afgrenzen. Het is een inside term, bedoeld om ouderen op een bepaalde manier op afstand te houden. Maar ook om een statement te doen: jullie begrijpen ons toch niet! Letterlijk. Hoe dan ook een vorm van geheimtaal die zowel verdedigend als aanvallend werkt en daarom irritant en misschien zelfs onzeker makend is voor wie veilig binnen de mainstreamtaal meent te kunnen opereren. Behalve een signaal aan oudere generaties impliceert het fenomeen iets wat cultureel gezien veel dieper gaat en waarover je aardig kunt speculeren.
Six seven verwijst naar taal in haar algemeenheid. Naar haar functioneren en onze omgang met haar. Eigen woorden binnen een groep bedenken op zich is niet vreemd en gebeurt sinds heugenis op allerlei manieren en in specifieke groepen. Maar een woord zonder betekenis omarmen en naar openbaar niveau optillen (woord van het jaar!) lijkt op een middelvinger naar de taal zoals wij die gebruiken. Het stelt iets wezenlijks aan de orde, namelijk de grensoverschrijding van betekenis naar betekenisloosheid. Dit op zich roept verschillende manieren van kijken op.
Het huldigen van betekenisloosheid kan somber stemmen over de staat waarin wij met taal zijn beland. En het is waar dat verbale communicatie steeds minder goed begint te werken. Er lijkt een soort metaalmoeheid in de taal te zijn geslopen. Deels heeft dat te maken met onszelf en onze omgang met haar. In de loop van de lange tijd is een foute voorstelling van wat taal is in het collectieve bewustzijn geslopen. In plaats van taal te zien als middel en te gebuiken als brug naar een overzijde waar de ander is (zoals zij is ontstaan en bedoeld) zijn we de brug gaan verwarren met de overkant. Alsof we daar al zijn, wanneer we woorden gebruiken. Alsof we zelf in de woorden zitten, woorden zijn: ‘Eén verkeerd woord en je vliegt eruit!’ Een efficiëntere manier om alle zuurstof aan taal te ontnemen bestaat niet. Op den duur zal zij zo niet meer kunnen functioneren en tekenen daarvan zien we terug in de huidige tijd.
Dat jongeren gebruikelijke taal de rug toekeren en uitwijken naar cijfers die voor ons bewustzijn (nog) geen betekenis hebben kan om die reden een belangrijk signaal zijn. Een wake-upcall die ons aanzet tot reflectie op onze manier van communiceren. Het handgebaar van wegen bij het uitspreken van six seven in dit verband is interessant. Het meer of minder, het afwegen, het balanceren, het ‘misschien’ als spanningsvolle houding naar wat kan, gaat komen of wat mogelijk is?
Vanuit een heel andere hoek kun je óók kijken. 6 7 weerspiegelt iets van wat zich momenteel in de hele wereld voltrekt: de onstuitbare opmars van cijfers en getallen, van statistiek en abstracties. Kortom van de wiskunde die via moderne technologie onze levens meer en meer doordringt. De tijd waarin de klacht ‘ik ben toch geen nummer?!’ regelmatig klonk, lijkt voorbij.
Massaal accepteren we – al of niet tandenknarsend – dat we wel degelijk nummers geworden zijn. Overal, bij elke instantie, bij iedere factuur, op ieder identiteitskaart worden wij gedefinieerd met een cijferreeks. Er is geen ontkomen aan. We leren in abstracties denken. Ook in de abstractie van onszelf, van onze gevoelens, ervaringen en meningen. ‘Welke cijfer geeft u uw pijn?’ Een doodnormale vraag in tegenwoordige zorgsituaties. Het ongemakkelijke daarvan omdat je ergens wel beseft dat er op die manier te weinig ruimte is voor wat er allemaal in je omgaat, moeten we zo goed mogelijk proberen te vergeten. Technologie dicteert het moderne bestaan.
Tussen het jezelf als nummer accepteren en het in cijfers gaan denken of spreken ligt maar een dunne lijn. Niet voor niets sterven ze bij bosjes: de talenstudies aan hogescholen en universiteiten. De werkelijkheid is op drift geraakt en betekenissen gaan verloren. Een spannende tijd. Wat gaan we doen? De uitgeputte taal haar juiste plaats teruggeven of zoeken naar een vervangende taal, iets volkomen nieuws dat ons weer kan gaan verbinden – met elkaar maar vooraf ook met onszelf?
Een kwestie van bewustzijn, van geluk , maar bovenal van een gemeenschappelijke, intelligente wil.
